ECLI:NL:RBDHA:2026:9273
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij bewaring van Unieburger met Poolse nationaliteit
Eiser, een Poolse Unieburger, werd op 5 maart 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De aanleiding voor de staandehouding was een melding van overlast, niet vreemdelingenrechtelijk van aard. Eiser lag te slapen voor een portiek en werd staande gehouden nadat hij bewusteloos was geraakt door een epileptische aanval.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij het opleggen van de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan uitzetting, terwijl dit ook voor Unieburgers geldt. De minister had moeten toetsen of uitzetting naar Polen strijdig is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest, maar heeft dit niet gedaan. Dit motiveringsgebrek kan niet achteraf worden hersteld.
Daarom is de maatregel van bewaring onrechtmatig en beveelt de rechtbank de opheffing met ingang van 17 maart 2026. Tevens kent de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.600,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de minister in de proceskosten van €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding toegekend.