Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL24.24673
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas over familieruzie en schietincidenten in Pakistan

Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 28 januari 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde te vrezen voor zijn leven vanwege conflicten met zijn broers die zich tot de Sjiitische islam hadden bekeerd, terwijl hij Soennitisch bleef. Hij gaf aan betrokken te zijn geweest bij schietincidenten in 2016 en 2018, waarbij hij gewond raakte en twee mensen zou hebben gedood.

De minister wees de aanvraag op 24 mei 2024 af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank bevestigt dit oordeel na beoordeling van de verklaringen, aangiftes en een medisch rapport. De verklaringen van eiser waren summier, vaag en tegenstrijdig, en de overgelegde documenten waren niet overtuigend of zelfs tegenstrijdig met zijn verhaal.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk wordt gezocht door Pakistaanse autoriteiten en dat zijn relaas over de schietincidenten niet geloofwaardig is. Ook is het beroep op onvoldoende hoorzitting ongegrond. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24673
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kuster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 28 januari 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Nadat eerst bij Italië tevergeefs een claimverzoek is gedaan, is eisers aanvraag op 23 januari 2023 in de nationale procedure opgenomen. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 mei 2024 de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit
.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Singh als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft drie broers die zijn bekeerd tot de Sjiitische stroming van de Islam. Eiser is Soennitisch gebleven. Zijn broers wilden dat eiser zich ook zou bekeren tot de Sjiitische stroming. Dit wilde eiser echter niet, waarna een ruzie tussen hen is ontstaan. Deze ruzie heeft geleid tot meerdere incidenten. Een eerste vecht- en schietpartij was in 2016 waarbij eiser gewond is geraakt. Daarna stelt eiser ondergedoken te hebben gezeten, tot 2018 waarin eiser betrokken is geraakt bij een schietpartij waarbij hij twee mensen zou hebben gedood. Eiser heeft in 2019 Pakistan verlaten. Bij terugkeer naar Pakistan vreest hij om vermoord te worden, dan wel de doodstraf te krijgen.
6.1
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser drie aangiftes van 10 maart 2016, 2 mei 2016 en 15 oktober 2018 overgelegd en een medisch rapport over eisers verwondingen na het incident in 2016.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Ruzie in 2016 met schietincident;
Ruzie in 2018 met schietincident en dat hij om die reden gezocht zou worden door de Pakistaanse autoriteiten.
8. De minister gelooft de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, maar vindt de incidenten in 2016 en 2018 niet geloofwaardig. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat, kort weergegeven, eiser summier, vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over deze incidenten, over de oorzaak van de ruzie met zijn broers, over de periode waarin hij stelt ondergedoken te hebben gezeten en over zijn stelling dat hij nu gezocht wordt door de Pakistaanse autoriteiten. De documenten die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd, zijn volgens de minister op bepaalde punten tegenstrijdig met eisers verklaringen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen geloof aan het asielrelaas van eiser kan worden gehecht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ruzie in 2016 met schietincident
10. Eiser voert aan dat de minister niet heeft onderkend dat de afwijkingen tussen eisers verklaringen en het medisch rapport enerzijds en de aangifte van dit incident anderzijds, geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas, nu de aangifte is gedaan door de andere partij. In het nader gehoor heeft eiser ook verklaard dat die andere partijen het verhaal hebben omgedraaid. Verder maakt de omstandigheid dat het in Pakistan gemakkelijk is om aan frauduleuze documenten te komen, nog niet dat eisers documenten ook frauduleus zijn verkregen. Voorts ontkent eiser dat hij afwijkend van het gestelde in het medisch rapport heeft verklaard over wie op hem heeft geschoten en vindt hij dat de minister hem ook ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet gedetailleerd heeft kunnen verklaren over dit incident. Ten slotte bestrijdt eiser dat zijn gestelde verwondingen niet overeenkomen met het overgelegde medische rapport.
11. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser tijdens het nader gehoor summier, vaag en ongerijmd heeft verklaard over de schietpartij in 2016. Wat betreft de aanleiding van dit incident, is, ondanks dat tijdens het nader gehoor aan eiser hierover meerdere vervolgvragen zijn gesteld, onduidelijk gebleven hoe de ruzie met zijn broers is geëscaleerd in de schietpartij. Eiser heeft hierover uitsluitend kunnen verklaren dat er een conflict was over het thuis organiseren van religieuze bijeenkomsten, dat de ruzie is begonnen met gescheld en dat er tien tot vijftien minuten later werd geschoten door een aantal personen. De minister heeft mogen vinden dat eiser de vragen over de schietpartij ook verder oppervlakkig en in vage bewoordingen heeft beantwoord en dat deze verklaringen mede zijn gebaseerd op vermoedens en aannames. Gelet op de ernst van de gebeurtenis en nu een ruzie met zijn eigen broers aan het incident ten grondslag ligt, mag van eiser worden verwacht dat hij meer inhoudelijk en specifieker over dit incident en de aanleiding ervoor kan verklaren.
12 De minister heeft in de overgelegde twee aangiftes uit 2016 en het medische rapport geen aanleiding hoeven zien voor een andere conclusie. Niet in geschil is dat de aangifte betreffende de vechtpartij van 10 mei 2016 tegenstrijdig is met eisers verklaringen. In deze aangifte staat namelijk dat de man die volgens eiser op hem heeft geschoten, [persoon1] ( [persoon1] ), juist verklaart zelf te zijn beschoten tijdens een bijeenkomst. Hierbij doet hij aangifte tegen eiser als de schutter voor poging tot moord, bezit van een wapen en het verstoren van een bijeenkomst. Tijdens het nader gehoor heeft eiser het tegenovergestelde verklaard, namelijk dat hij tijdens dit incident niet heeft geschoten. Weliswaar verklaart eiser in het nader gehoor, en stelt hij ook in beroep, dat de aangever andere feiten heeft gesteld om eigen strafvervolging te voorkomen, maar, nog daargelaten dat dit om een aanname gaat, dit maakt hoe dan ook niet dat de aangifte als een onderbouwing van zijn asielrelaas kan gelden. De aangifte bevestigt immers niet het relaas van eiser. Dit geldt ook voor de tweede aangifte van 10 maart 2016. Deze aangifte, waarin eiser wordt beschuldigd van fraude door een voor eiser onbekende man uit Lahore en die geheel losstaat van de vechtpartij, is immers volgens eiser ook gebaseerd op onjuiste feiten.
13 Daarnaast heeft de minister mogen twijfelen aan de authenticiteit van de aangiftes. Daarbij is in het bestreden besluit niet alleen gewezen op het feit dat in algemene zin uit openbare landeninformatie volgt dat het in Pakistan eenvoudig is om op frauduleuze wijze allerlei soorten documenten te verkrijgen met daarin de gewenste inhoud, maar is dit in combinatie bezien met de vage en summiere verklaringen van eiser over de gebeurtenissen. Eiser heeft in reactie op deze tegenwerping in het voornemen en besluit ook niet zelf aangegeven hoe hij in het bezit is gekomen van de overgelegde aangiftes of anderszins bewijzen van authenticiteit overgelegd. Eisers verklaring op de zitting dat een vriend de aangiftes heeft verkregen bij de politie, leidt er niet toe dat de minister dit punt niet bij de beoordeling heeft mogen betrekken.
14 De minister heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de inhoud van het overgelegde medische rapport en de verklaringen van eiser over de schietpartij en de gevolgen ervan niet met elkaar overeenkomen. Zo is in de medische verklaring opgenomen dat eiser is beschoten door één schutter, namelijk [persoon1] , terwijl eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat meerdere personen hebben geschoten. Verder heeft de minister mogen betrekken dat op de bij deze verklaring gevoegde tekeningen van het lichaam geen verwondingen zijn aangebracht en dat er in deze verklaring een onjuiste leeftijd van eiser is vermeld. Mede gelet op deze discrepanties heeft de minister ook dit rapport onvoldoende mogen achten om uit te gaan van eisers verklaringen.
15. Gezien het voorgaande heeft de minister de verklaringen van eiser over het incident in 2016 niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Ruzie in 2018 met schietincident en gezocht door autoriteiten
16. Eiser betoogt dat de minister hem ook ten aanzien van dit incident ten onrechte tegenwerpt dat de aangifte van 15 oktober 2018 niet overeenkomt met eisers verklaringen. Ook hier geldt dat de aangever bij de politie een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Verder heeft eiser niet summier en tegenstrijdig verklaard over dit incident. Eiser heeft verklaard slechts te hebben gehoord, en niet gezien, dat bij dit incident twee personen zijn overleden en kan daarom niet aangeven hoe deze personen precies zijn overleden. Verder blijkt uit de verklaringen van eiser voldoende duidelijk dat hij bij zijn vriend was toen de schietpartij plaatsvond en niet dat hij slechts onderweg was. Van een tegenstrijdigheid is geen sprake. Ten slotte kan eiser ook niet worden tegengeworpen dat hij niet weet of hij gezocht wordt. Van eiser of zijn in Pakistan wonende echtgenote kan niet verwacht worden dat zij navraag doen bij de politie.
17 De rechtbank volgt dit betoog niet. Wat betreft deze aangifte is evenmin in geschil dat deze niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. De aangifte is van een persoon genaamd [persoon2] tegen eiser. In de aangifte stelt de aangever dat er mensen zijn langsgeweest die hebben geschoten. Eiser verklaart juist dat de andere partij begon met schieten, dat hij heeft teruggeschoten, hij toen vertrokken is en hij er achteraf achter kwam dat twee mensen waren overleden. Ook ten aanzien van deze aangifte geldt dat deze, wat ook zij van de aanname dat de aangever niet eerlijk is geweest bij de politie over de omstandigheden, geen onderbouwing van eisers relaas vormt, nu de door hem gestelde feiten niet worden bevestigd.
18 De minister heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser tegenstrijdig of op zijn minst vaag heeft verklaard over waar hij was ten tijde van deze schietpartij. In het nader gehoor verklaart eiser op meerdere plekken dat hij onderweg was naar een vriend op zijn motor, maar ook soms dat hij bij zijn vriend was. De gehoormedewerker heeft hier meermaals naar gevraagd. In de zienswijze is hierover naar voren gebracht: “Betrokkene was onderweg naar een vriend toen hij werd beschoten.” Dit staat haaks op de stelling in beroep dat hij al bij de vriend was. De rechtbank vindt daarom dat de minister dit eiser heeft mogen tegenwerpen. Verder heeft eiser de tegenwerping dat eiser ook over deze schietpartij summier en oppervlakkig verklaard heeft niet gemotiveerd bestreden.
19 Ten slotte heeft de minister ook mogen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard of de autoriteiten eiser zoeken en of er een strafzaak tegen hem loopt. In beroep is niet ingegaan op wat in het bestreden besluit is vermeld over de stelling in de zienswijze dat de politie bij het huis van eisers echtgenote zouden zijn langsgeweest, namelijk dat dit niet wordt gevolgd omdat niet duidelijk is waarom dit niet eerder naar voren is gebracht en dit ook niet is onderbouwd. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt er verder niet toe dat de minister niet heeft mogen betrekken dat op geen enkele wijze is onderbouwd dat eiser zou worden gezocht door de Pakistaanse autoriteiten.
20. Gezien het voorgaande heeft de minister de verklaringen van eiser over het incident in 2018 ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Zorgvuldig gehoor
21. Het betoog van eiser dat hij onvoldoende is gehoord en dat het in de rede had gelegen om hem aanvullend te horen, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het gehoor volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser onvoldoende in staat is geweest om zijn asielmotieven naar voren te brengen. Verder heeft de minister voldoende doorgevraagd op punten die onduidelijk waren. Hierbij is het van belang dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Gelet op het voorgaande is eiser hierin niet geslaagd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.