Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr.S.L.L. Rovers, griffier.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn bewaring onrechtmatig was omdat deze langer dan achttien maanden zou hebben geduurd op basis van één terugkeerbesluit van 14 december 2010, en dat verweerder ten onrechte geen verlengingsbesluit had genomen na zes maanden. Eiser vorderde daarom ook schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de EU, dat de maximale duur van bewaring op achttien maanden stelt voor één terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn, niet van toepassing is op het terugkeerbesluit van 14 december 2010 omdat dit besluit is genomen vóór de implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving. Hierdoor kon eiser zich niet op de richtlijn beroepen met terugwerkende kracht.
Verder stelde de rechtbank vast dat het relevante terugkeerbesluit van 22 maart 2024 is en dat eiser op basis daarvan nog geen achttien maanden in bewaring heeft gezeten. Ook was de termijn van zes maanden voor een verlengingsbesluit nog niet verstreken. De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om schadevergoeding en herziening van eerdere uitspraken. Er was geen aanleiding om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter B.V.A. Corstens en griffier S.L.L. Rovers en is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.