Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- op die [aangever 1] en/of [aangever 2] af te rennen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] te tonen en/of op die [aangever 1] en/of [aangever 2] te richten en/of tegen de borst van die [aangever 2] te duwen en/of
- tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2] te zeggen "Geef alles, zakken leeg" en/of
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] één of meerdere malen in het gezicht te slaan en/of
- in de (jas)zak van die [aangever 1] te voelen en/of
- die [aangever 1] bij de keel vast te pakken/grijpen en/of
- die [aangever 1] een kopstoot te geven;
3.De bewijsbeslissing
De verdachte zou echter niet hebben geweten dat er een vuurwapen/luchtdrukwapen aanwezig zou zijn en dat deze door één van de betrokkenen getoond zou worden.
De verdachte moet vervolgens ook gezien hebben dat het wapen gericht is op aangever [aangever 2] . De aangevers stonden immers dichtbij elkaar. Het tonen en richten van het wapen kan dan ook bewezen worden. Er is tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Zij zijn met zijn allen richting de aangevers gelopen en hebben met zijn allen de aangevers beroofd van geld en helmen. Het maakt voor het bewijs van het ‘medeplegen’ van de gedragingen waarvan de verdachte verdacht wordt in beginsel niet uit wie welk geweld(selement) heeft gebruikt, en of de verdachte zelf daadwerkelijk het geweld heeft gepleegd waarvan hij verdacht wordt. Gezien de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat hij dit geweld wel heeft gebruikt. Maar ook het geweld zoals gepleegd door de medeverdachten komt voor rekening van de verdachte.
De rechtbank is daarom van oordeel dat alle handelingen zoals deze ten laste gelegd zijn wettig en overtuigend bewezen zijn.
envergezeld van geweld en bedreiging met geweld
tegen die [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken, door
- op die [aangever 1] en [aangever 2] af te rennen en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangever 1] en [aangever 2] te tonen en op die [aangever 1] en [aangever 2] te richten en tegen de borst van die [aangever 2] te duwen en
- tegen die [aangever 2] te zeggen "Geef alles, zakken leeg" en
- in de jaszak van die [aangever 1] te voelen en
- die [aangever 1] bij de keel vast te pakken en
- die [aangever 1] een kopstoot te geven.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht adviseert de reclassering het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is gebaat bij ondersteuning door volwassenen en hij lijkt niet goed in staat te zijn de gevolgen van zijn eigen gedrag te kunnen overzien. Bovendien is hij impulsief en beïnvloedbaar, wat des te meer past bij een jeugdige. Bij een veroordeling adviseert de reclassering wel begeleiding door de volwassenenreclassering, omdat er al sprake is van een goedlopende begeleidingstraject en de verdachte bovendien aan het toewerken is richting zelfstandigheid. De reclassering adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8.De inbeslaggenomen voorwerpen
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
jeugddetentievoor de duur van
1 (een) maand;
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
100 (honderd) uren;
50 (vijftig) dagen;