Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.20689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 2 februari 2026 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurt voort en eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren daarvan, met een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder op 11 februari 2026 de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment getoetst en geoordeeld dat deze rechtmatig was. Bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel sinds die datum heeft de rechtbank vastgesteld dat er zicht is op uitzetting naar Algerije en dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door maandelijkse contacten met de Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser.

De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20689

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 2 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 13 april 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2026 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 11 februari 2026.
4. In de gronden van beroep van 15 april 2026 schrijft eiser dat hij zich refereert aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring.
5. De rechtbank stelt vast dat het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen en ook in het geval van eiser niet ontbreekt. Daarnaast heeft verweerder in de te beoordelen periode voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting. Verweerder heeft maandelijks gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten in verband met de aanvraag voor een laissez-passer voor eiser en regelmatig vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.