Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij beschikbaar moet zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze bewaring bevestigd tot 16 maart 2026. De minister heeft de voortzetting van de bewaring gemeld, waarbij een administratieve fout leidde tot een te vroege kennisgeving, die als beroep werd aangemerkt.
Eiser voerde aan dat hij detentieongeschikt is vanwege medische klachten, maar heeft dit niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de medische zorg in de detentie-instelling vergelijkbaar is met die in de vrije maatschappij en dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser detentieongeschikt is.
De rechtbank stelt dat geen lichter middel, zoals een meldplicht, toepasbaar is omdat eiser niet meewerkt aan zijn terugkeer. Ook is geen sprake van een onevenredig zware bewaring. De belangenafweging van de minister, waarbij werd meegewogen dat eiser zijn asielverzoek pas vlak voor mogelijke uitzetting indiende, wordt als redelijk beoordeeld.
De rechtbank concludeert dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.