Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.18526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens overschrijding maximale detentietermijn in grensdetentie

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, is op 19 januari 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De maatregel van bewaring werd eerder door de rechtbank getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het onderzoek. Sindsdien is de voortzetting van de maatregel onderwerp van dit beroep.

Verweerder had in een eerdere procedure aangegeven op 1 april 2026 een besluit te nemen, maar heeft slechts een voornemen uitgebracht waarbij eiser twee weken de tijd kreeg om een zienswijze in te dienen. Hierdoor wordt de maximale termijn van 13 weken overschreden, wat strijdig is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en het vereiste van een zo kort mogelijke detentie.

De rechtbank oordeelt dat voortzetting van de grensdetentie niet langer evenredig is en verklaart het beroep gegrond. De maatregel van bewaring wordt met ingang van 9 april 2026 opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid en opheffing gelijktijdig plaatsvinden. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens overschrijding van de maximale detentietermijn van 13 weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 april 2026 (in de zaak NL26.15530) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder in de vorige bewaringsprocedure (met zaaknummer NL26.15530) heeft aangegeven dat op 1 april 2026 een beslissing zou worden genomen. Echter, door verweerder is geen beslissing genomen maar een voornemen uitgebracht. Eiser heeft twee weken te tijd om zijn zienswijze aan te leveren waarna verweerder een nieuw besluit kan nemen. Dit maakt dat de termijn van 13 weken niet gehaald kan worden. Het is dan ook evident dat de termijn van 13 weken niet gehaald zal worden. De maatregel dient dan ook te worden opgeheven.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 januari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en diezelfde dag op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in grensdetentie is geplaatst. De asielaanvraag is bij besluit van 4 februari 2026 afgewezen. Op 4 februari 2026 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Ter zitting is de zaak aangehouden om verweerder de mogelijkheid te geven
om nadere documenten te onderzoeken.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 juli 2025 [1] artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na 13 weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. In de vorige bewaringsprocedure heeft verweerder de rechtbank laten weten dat op 1 april 2026 een beslissing zou worden genomen. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank in die procedure geoordeeld dat niet evident is dat de 13 weken termijn niet gehaald zal worden. Uit het dossier in onderhavig dossier blijkt dat verweerder op 1 april 2026 geen beslissing heeft genomen, maar een voornemen heeft uitgebracht. Daarin heeft verweerder eiser twee weken de tijd te geven om een zienswijze te geven. De termijn voor het aanleveren van de zienswijze is dan 15 april 2026 terwijl de maximale termijn van 13 weken af loopt op 20 april 2026. Dat betekent dat er van uit moet worden gegaan dat het beroep niet binnen de door de Afdeling vastgestelde termijn kan worden afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet meer kan worden voldaan aan het vereiste van een zo kort mogelijke detentie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Omdat de rechtbank dit nu al weet, is een verdere voortzetting van de grensdetentie niet langer evenredig te achten.
8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 9 april 2026 onrechtmatig.De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
9. Omdat de bewaring onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren
van een schriftelijke procedure , met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 9 april 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925.