Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, is op 19 januari 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De maatregel van bewaring werd eerder door de rechtbank getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het onderzoek. Sindsdien is de voortzetting van de maatregel onderwerp van dit beroep.
Verweerder had in een eerdere procedure aangegeven op 1 april 2026 een besluit te nemen, maar heeft slechts een voornemen uitgebracht waarbij eiser twee weken de tijd kreeg om een zienswijze in te dienen. Hierdoor wordt de maximale termijn van 13 weken overschreden, wat strijdig is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en het vereiste van een zo kort mogelijke detentie.
De rechtbank oordeelt dat voortzetting van de grensdetentie niet langer evenredig is en verklaart het beroep gegrond. De maatregel van bewaring wordt met ingang van 9 april 2026 opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid en opheffing gelijktijdig plaatsvinden. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.