Op 17 augustus 2025 stak de verdachte het slachtoffer meerdere keren met een mes in het linker onderbeen, wat leidde tot twee steekwonden. De officier van justitie vorderde veroordeling wegens poging tot zware mishandeling, terwijl de verdediging een beroep op noodweer deed.
Tijdens de terechtzitting op 3 april 2026 verklaarde de verdachte dat hij handelde uit noodzakelijke zelfverdediging nadat het slachtoffer met een honkbalknuppel op hem had ingeslagen. De verklaringen van verdachte en slachtoffer verschilden, maar de rechtbank achtte de lezing van de verdachte aannemelijk, mede ondersteund door camerabeelden en WhatsApp-berichten.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich in een situatie van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bevond, waarbij terugtrekken niet mogelijk was vanwege de nauwe woninggang. Het steken met het mes werd als proportioneel beschouwd ten opzichte van het geweld van het slachtoffer.
Daarom slaagde het beroep op noodweer en werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, aangezien geen strafoplegging volgde.