ECLI:NL:RBDHA:2026:9191
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen invorderingsrente bij aanslag inkomstenbelasting 2021
Eiser maakte bezwaar tegen de invorderingsrente die door de Belastingdienst in rekening werd gebracht over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021. Na een compromis tussen partijen werd de aanslag verminderd, maar eiser betaalde de aanslag niet volledig binnen de gestelde termijn. De Belastingdienst bracht daarom invorderingsrente in rekening.
De rechtbank oordeelt dat de invorderingsrente terecht is opgelegd, omdat de wettelijke regeling dwingend voorschrijft dat bij overschrijding van de betalingstermijn invorderingsrente verschuldigd is, ongeacht uitstel van betaling. Het compromis leidde niet tot het vervallen van de belastingplicht, maar tot een vermindering van het te betalen bedrag.
Verder wees de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af, omdat een vergoeding alleen mogelijk is bij een gegrond beroep en het beroep hier ongegrond is verklaard. Ook een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 25 maart 2026 door rechter A.D. van Riel in aanwezigheid van griffier A.M.M. Schillings.
Uitkomst: Het beroep tegen de invorderingsrente is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.