Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid van de heer referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat de referent niet voldoet aan het middelenvereiste, aangezien hij een WIA-uitkering op grond van de Regeling WGA ontvangt. De rechtbank oordeelt dat de minister in redelijkheid van het beleid heeft kunnen afwijken en dat het aan het UWV is om te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid van de referent blijvend is.
Eiseres betoogt dat de referent al meer dan tien jaar volledig arbeidsongeschikt is en dat het onredelijk is om hem niet vrij te stellen van het middelenvereiste. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat blijvende arbeidsongeschiktheid in beginsel leidt tot een IVA-uitkering, en dat het beleid van de minister niet onredelijk is.
Verder weegt de rechtbank mee dat de minister in de belangenafweging het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van eiseres. De minister heeft terecht rekening gehouden met het ontbreken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen en met het economische belang dat eiseres mogelijk geen inkomen kan genereren in Nederland.
Eiseres heeft ook een beroep gedaan op de nieuwe werkinstructie WI 2026/3, maar de rechtbank oordeelt dat deze instructie niet leidt tot een andere uitkomst. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.