Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9174

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL25.60758
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring beroep vreemdelingenrecht

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 15 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg om niet uitgezet te worden gedurende de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag.

De zitting vond plaats op 31 maart 2026, waarbij zowel verzoeker als de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank het onderliggende beroep van verzoeker inmiddels gegrond heeft verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.

Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waardoor de uitspraak definitief is.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60758

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker tot het treffen van de voorlopige voorziening om gedurende de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag niet te worden uitgezet.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag [1] heeft de rechtbank het beroep van verzoeker gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
3. Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde van
€ 934,- per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL25.60757.