Eisers, behorend tot de Hmong etnische minderheid in Laos, dienden asielaanvragen in die door de minister werden afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers vanwege hun afkomst geen problemen zullen ondervinden bij terugkeer naar Laos.
De minister had onvoldoende rekening gehouden met de verslechterde situatie van de Hmong bevolking, zoals blijkt uit diverse bronnen die wijzen op discriminatie, vervolging en geweld tegen deze minderheid. De minister baseerde zich vooral op verklaringen van eiser dat hij toegang had tot scholing en gezondheidszorg, maar dit weerlegt niet de algemene verslechtering van de situatie.
De rechtbank constateert ook dat de minister in het besluit over eiseres niet heeft ingegaan op haar etnische afkomst en het risico op vervolging. Hierdoor is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de aangevoerde bronnen en omstandigheden volledig moeten worden betrokken.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.