Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 oktober 2025, waarin haar aanvraag voor een facilitair visum werd afgewezen. Tijdens de procedure verleende de minister op 3 februari 2026 het gevraagde visum, waarna verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening introk.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens het verzoek van verzoekster beoordeeld om de minister te veroordelen tot betaling van de proceskosten. De minister verzette zich tegen deze veroordeling, stellende dat er geen tegemoetkoming had plaatsgevonden omdat pas in bezwaar duidelijk werd dat het om een facilitair visum ging.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de minister vanaf het begin op de hoogte was van het karakter van de aanvraag, mede omdat in de besluitvorming werd gesproken over een EU-verblijfsdocument. Daarom werd geoordeeld dat de minister aan verzoekster was tegemoetgekomen. De minister werd veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten, de kosten die verzoekster had gemaakt voor het indienen van het verzoekschrift.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.Z. Achouak El Idrissi en griffier L. Kooring, en is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.