ECLI:NL:RBDHA:2026:912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
09-258600-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrechtelijke uitspraak inzake winkeldiefstallen en voorhanden hebben vuurwapen door minderjarige verdachte

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2006, die beschuldigd werd van meerdere winkeldiefstallen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De zaak werd behandeld op de terechtzitting van 8 januari 2026, waar de officier van justitie, mr. D. Kortekaas, en de raadsman, mr. M. Berkel, aanwezig waren. De verdachte bekende de feiten en de verdediging verzet zich niet tegen de bewezenverklaring. De rechtbank oordeelde dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren, waarbij de verdachte op 30 september 2025 in Den Haag goederen van verschillende winkels had gestolen en een Glock pistool bij zich had.

De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe, gezien de leeftijd van de verdachte en haar kwetsbare positie. De officier van justitie eiste een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 16 dagen onvoorwaardelijk en 44 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door de jeugdreclassering. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar eerdere strafblad en de aanbevelingen van de reclassering. Uiteindelijk werd de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie van 60 dagen, met bijzondere voorwaarden voor haar begeleiding en toezicht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-258600-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres en verblijfsadres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 8 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsman van de verdachte is mr. M. Berkel te ’s-Gravenhage (waarnemend voor mr. B. Veenstra te ’s-Gravenhage). De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte wordt er (kort en feitelijk weergegeven) van beschuldigd:
feit 1: dat zij op 30 september 2025 in Den Haag telefoonhoesjes, een armband en parfum van [bedrijf 1] en oorbellen van [bedrijf 2] heeft gestolen;
feit 2: dat zij op 30 september 2025 in Den Haag in vereniging kleding en/of oorbellen van [bedrijf 3] en/of [bedrijf 2] heeft gestolen;
feit 3: dat zij op 30 september 2025 in Den Haag een pistool (Glock) (wapen van categorie III) bij zich heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzet zich niet tegen een bewezenverklaring van de feiten.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025338405, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (genummerd pagina 1 t/m 96).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte ( [bedrijf 2] ), opgemaakt op 8 oktober 2025 (p. 7-10);
3. Het proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden [bedrijf 1] ), opgemaakt op 8 oktober 2025 (met nummer PL1500-2025331421-23);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 september 2025 (p. 32-34).
Feit 2:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte ( [bedrijf 3] ), opgemaakt op 30 september 2025 (met nummer DH 2025331413);
3. Het proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden [bedrijf 3] ), opgemaakt op 3 oktober 2025 (met nummer PL1500-2025331643-21).
Feit 3
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven (met nummer 2025331643 – 9).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij op 30 september 2025 te 's-Gravenhage
- meerdere telefoonhoesjes en een armband en parfum, die aan [bedrijf 1] toebehoorden en
- meerdere sets oorbellen die aan [bedrijf 2] toebehoorden
heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
zij op 30 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging
met een ander, kleding die aan [bedrijf 3] toebehoorde heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
zij op 30 september 2025 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock,
type 45, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 45 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering zich heeft geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging neemt het standpunt in dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast en kan zich vinden in de eis van de officier van justitie.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenDe verdachte heeft op één dag spullen van meerdere winkels gestolen. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat zij geen respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Winkeldiefstallen leveren veel schade op voor winkeliers en daarmee voor de maatschappij. De rechtbank neemt het de verdachte ook kwalijk dat zij heeft rondgelopen door de stad met een tas met daarin een vuurwapen. Vuurwapens kunnen gebruikt worden voor zeer ernstige strafbare feiten zoals bedreigingen en overvallen en uiteraard om mee te schieten. Door een vuurwapen bij zich te dragen, heeft de verdachte de kans dat soort dingen konden gebeuren, vergroot.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025. Hieruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit heeft dan ook geen invloed op de hoogte van de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 7 januari 2026 van de reclassering en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd. Er zijn aanzienlijke zorgen op verschillende leefgebieden van de verdachte en het lukt haar – in het kader van de schorsing - niet altijd om goed in contact te blijven met de reclassering en haar coach. Op dit moment is ook er te weinig zicht op de invulling en de veiligheid van haar dagbesteding en heeft zij een omgekeerd dag/nachtritme. Daarom adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf onder bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, verplichte ambulante behandeling, verplichte coaching, een contactverbod met de medeverdachte en het zich inzetten voor een zinvolle dagbesteding.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte is aan de ene kant (psychosociaal) kwetsbaar en beïnvloedbaar, maar aan de andere kant kan zij zich ook juist zelfbepalend en sterk opstellen. Het contact met de jeugdreclassering gaat (recent) beter en zij zien nog mogelijkheden om de verdachte verder te helpen. Zij lijkt nog pedagogisch beïnvloedbaar. De rechtbank vindt het daarnaast van belang dat de (minimale) band die de verdachte nu heeft met haar coach en de jeugdreclasseerder behouden blijft en zij begeleid kan worden door dezelfde instanties.
De rechtbank past daarom het jeugdstrafrecht toe.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank zal de verdachte, gelet op al het bovenstaande, een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de tijd die zij al in voorarrest heeft doorgebracht (16 dagen). De rechtbank zal de verdachte daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 44 dagen met daaraan verbonden de voorwaarden zoals zij zijn geadviseerd door de reclassering. De rechtbank voegt hier aan toe dat het de verdachte is die zich moet houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, wat onder meer ook inhoudt dat verdachte telefonisch bereikbaar moet zijn voor de jeugdreclasseerder.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Feit 1:
diefstal;
Feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
60 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
16 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
44 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west Haaglanden op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, wat ook inhoudt het telefonisch bereikbaar zijn voor de jeugdreclasseerder;
2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
medeverdachte
- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
3. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;
4. zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door een coach van [instelling] of een soortgelijke instantie;
5. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of school, alles in overleg met de jeugdreclassering;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
zij op of omstreeks 30 september 2025 te 's-Gravenhage
- één of meerdere telefoonhoesje(s) en/of een armband en/of parfum, in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) en/of
- één of meerdere sets oorbellen, althans (een) siera(a)d(en), in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
zij op of omstreeks 30 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging
met een of meer anderen, althans alleen, kleding en/of oorbellen, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 3] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een
ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
zij op of omstreeks 30 september 2025 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock,
type 45, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver
en/of pistool voorhanden heeft gehad