ECLI:NL:RBDHA:2026:908
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging rechtmatig verblijf unieburger na belangenafweging en gezinsleventoets
Eiser, een Bulgaarse unieburger met een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit, betwistte het besluit van de minister dat zijn rechtmatig verblijf in Nederland was beëindigd omdat hij niet meer voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De minister had vastgesteld dat eiser sinds oktober 2022 niet meer als werkende unieburger kon worden aangemerkt en onvoldoende middelen had.
De rechtbank oordeelde dat eiser nagenoeg onafgebroken in Nederland aanwezig was sinds 2010, ondanks periodes van niet-inschrijving in de BRP, en dat de minister de belangenafweging niet onterecht in het nadeel van eiser had laten uitvallen. De minister had terecht meegewogen dat eiser langdurig een beroep deed op bijstand, een beperkte arbeidsverleden had, en een strafblad met meerdere veroordelingen.
De rechtbank stelde vast dat het gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige kind weliswaar zwaar meeweegt, maar dat het gezinsleven met zijn vriendin niet voldoende was aangetoond. Ook was er geen sprake van belemmeringen om terug te keren naar Bulgarije. De minister hoefde eiser niet aanvullend in persoon te horen, omdat eiser schriftelijk had ingestemd met een hoorbrief. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn rechtmatig verblijf als unieburger wordt ongegrond verklaard.