ECLI:NL:RBDHA:2026:907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL25.45295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak van een eiser die beroep had ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn asielaanvraag, ingediend op 10 oktober 2023. De eiser had op 15 juli 2025 en opnieuw op 18 september 2025 beroep ingesteld, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig was en heeft het beroep zonder zitting behandeld.

De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of de eiser procesbelang had bij de beoordeling van zijn beroep. Gezien het feit dat de rechtbank op 8 januari 2026 al had beslist op het eerdere beroep van de eiser van 15 juli 2025, waarbij de minister was opgedragen om binnen acht weken een besluit te nemen en een dwangsom was opgelegd, concludeerde de rechtbank dat er geen belang meer was bij de beoordeling van het onderhavige beroep.

Daarom heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, in aanwezigheid van griffier K.D.M. Nijholt, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45295

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Issa),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van 18 september 2025 dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van
10 oktober 2023.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
3. Eiser heeft op 15 juli 2025 en vervolgens nogmaals op 18 september 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 10 oktober 2023.
4. Op 8 januari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser van 15 juli 2025 gegrond verklaard en daarbij de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken (NL25.31823). Daarbij is eveneens een dwangsom opgelegd van € 100,- voor elke dag dat de minister deze beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
5. Uit het voorgaande volgt dat eiser tweemaal beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nu de rechtbank reeds op het eerste beroep van 15 juli 2025 heeft beslist, is er geen belang meer bij de beoordeling het onderhavige beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).