Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/2901
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige ordemaatregel tegen verkeersbesluit afsluiting straatdeel

Verzoekers hebben bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend om een voorlopige ordemaatregel te treffen die de uitvoering van een verkeersbesluit zou opschorten. Dit verkeersbesluit, genomen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, bepaalt dat een deel van een straat wordt afgesloten voor autoverkeer. De voorlopige voorzieningenprocedure hangt samen met een beroep tegen een besluit op bezwaar.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en er sprake is van ernstige of onherstelbare gevolgen. Verweerder heeft aangegeven dat de werkzaamheden vanaf 7 april 2026 zullen starten en dat deze werkzaamheden van voorbereidende aard zijn, zoals het verwijderen van tegels en trottoirbanden zonder zandafvoer. Tevens zal een ecoloog de situatie ter plaatse beoordelen met betrekking tot het broedseizoen.

Gezien deze toelichting acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de werkzaamheden tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure ernstige of onherstelbare gevolgen zullen veroorzaken. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige ordemaatregel afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige ordemaatregel tegen de uitvoering van het verkeersbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2901
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 inzake het verzoek om een tijdelijke ordemaatregel in de zaak tussen

[verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2], uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Bassie).

Samenvatting

1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een ordemaatregel te treffen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op hun verzoek van 3 april 2026 om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorlopige voorzieningenprocedure houdt verband met een op 3 april 2026 ingesteld beroep (zaaknummer 26/2902) tegen een besluit op bezwaar van 1 april 2026. In dat besluit op bezwaar is verweerder gebleven bij zijn verkeersbesluit van 29 september 2025, waarin is bepaald dat een deel van de [straatnaam 1], tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3], wordt afgesloten voor autoverkeer.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
3. Verweerder heeft medegedeeld dat uitvoering zal worden gegeven aan het verkeersbesluit en dat de uitvoeringswerkzaamheden vanaf 7 april 2026 zullen aanvangen.
Daarom vragen verzoekers om een ordemaatregel die erop neerkomt dat deze werkzaamheden worden opgeschort zolang de voorzieningenrechter nog geen uitspraak heeft gedaan op het verzoek. Hierbij voeren verzoekers onder meer aan dat de werkzaamheden zullen leiden tot verstoring van het broedseizoen.
4. In reactie heeft verweerder toegelicht dat het college er belang bij heeft om de planning van de werkzaamheden voortvarend te laten verlopen, omdat het college anders het risico loopt dat de aannemer zich uit het project terugtrekt. Ook heeft verweerder aangegeven dat de werkzaamheden waarmee zal worden gestart louter van voorbereidende aard zijn. Het gaat om het verwijderen van tegels en trottoirbanden aan een kant van de [straatnaam 1]. Daarbij zal geen zand worden afgevoerd. Voordat met de werkzaamheden wordt gestart, zal een ecoloog bovendien de situatie ter plaatse in beeld brengen, met betrekking tot eventuele verstoring van het broedseizoen.
5. Gezien de toelichting van verweerder over de op korte termijn geplande werkzaamheden, komt het de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk voor dat gedurende de voorlopige voorzieningenprocedure moet worden gevreesd voor ernstige of onherstelbare gevolgen. De voorzieningenrechter ziet voor oplegging van een ordemaatregel vooralsnog dus geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een tijdelijke ordemaatregel af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.