Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
vk_25_13525
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet COAArt. 3 Rva 2005Art. 9 Rva 2005Art. 10 Rva 2005Art. 19 Rva 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen oplegging ROV-4 maatregel door COA na fysieke confrontatie

Eiser maakte bezwaar tegen een ROV-4 maatregel die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 1 juni 2025 aan hem oplegde, waarbij alle verstrekkingen voor een week werden ingetrokken. Deze maatregel volgde op een incident waarbij eiser een medebewoner zou hebben geslagen, wat lichamelijk letsel veroorzaakte.

De rechtbank heeft het procesdossier en het feitenonderzoek bestudeerd, waarin eiser en de buurman verschillende versies van het incident gaven. Eiser stelde dat hij uit zelfverdediging handelde na een woordenwisseling over geluidsoverlast, maar de buurman toonde foto’s van letsel en gaf aan dat eiser agressief had gehandeld. De rechtbank achtte het verslag van het feitenonderzoek en het bewijs van letsel overtuigend en concludeerde dat het gedrag van eiser een grote impact had.

De rechtbank oordeelde dat de opgelegde ROV-4 maatregel passend en proportioneel was, gelet op het maatregelenbeleid van het COA. Eiser had onvoldoende onderbouwd waarom de maatregel disproportioneel zou zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de ROV-4 maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13525

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Engelbertink),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over het besluit van 1 juni 2025 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met de aan hem bij dat besluit opgelegde maatregel. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit stand kan houden.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 1 juni 2025 aan eiser op grond van het ROV [1] een ROV-4 [2] maatregel opgelegd en bepaald dat met ingang van 9 juni 2025 voor een periode van één week alle aan eiser op grond van de Rva [3] verleende verstrekkingen worden ingehouden.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [naam] , medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland en S. Reraie Fhavamabadi als tolk. Tevens heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eisers gemachtigde is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3.1
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is verweerder belast met materiële en immateriële opvang van asielzoekers.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet COA is de minister bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet COA. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005.
Artikel 3, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat het COA zorg draagt voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat aan hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.
Artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat de opvang op een opvangvoorziening in elk geval de verstrekkingen omvat die zijn opgesomd onder onderdeel a tot en met g van dit artikellid.
Artikel 10 van Pro de Rva 2005 bepaalt dat de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker kunnen worden onthouden, onder meer indien de asielzoeker ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
In artikel 19 van Pro de Rva 2005 is - voor zover hier van belang - bepaald dat de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangcentrum verplicht is:
a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van het desbetreffende opvangcentrum;
b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van het desbetreffende opvangcentrum.
3.2
In het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen (ROV) is het beleid neergelegd met betrekking tot de bevoegdheid om de Rva-verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden. Volgens dit beleid wordt de maatregel ROV-4 opgelegd, waarbij – voor zover hier van belang – gedurende één week alle verstrekkingen worden ingehouden, indien sprake is van een grote impact van een incident/getoond gedrag van een bewoner.
4. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet expliciet is vermeld welke maatregel aan eiser is opgelegd, maar dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat het een ROV-4 maatregel betrof. Eiser heeft desgevraagd bevestigd dat alle aan hem verleende verstrekkingen zijn ingehouden voor de duur van één week hetgeen overeenkomt met de aan hem opgelegde maatregel. Verweerder heeft aan deze maatregel ten grondslag gelegd dat eiser volgens verweerder op 1 juni 2025 een medebewoner heeft geslagen, waardoor deze lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens het maatregelenbeleid wordt dit aangemerkt als een gedraging die overlast van grote impact heeft doen ontstaan.
5. Eiser verklaart dat hij in de nacht van 31 mei 2025 op 1 juni 2025 naar zijn buurman op het aanmeldcentrum is gegaan in verband met geluidsoverlast. Nadat hij zijn buurman had gevraagd of het volume wat zachter kon, is eiser door zijn buurman geschopt en geslagen.
6.1
De rechtbank overweegt dat uit het verslag van het feitenonderzoek dat in het procesdossier is opgenomen volgt dat eiser over het incident dat tot het opleggen van de maatregel heeft geleid het volgende - voor zover relevant - heeft verklaard.
Eiser is in de nacht van 31 mei 2025 op 1 juni 2025 naar de kamer van zijn buurman gegaan, omdat eiser niet kon slapen vanwege de geluidsoverlast die de buurman veroorzaakte. Eiser heeft op de deur geklopt en bij zijn buurman aangegeven dat hij wat rustiger aan moest doen. Zijn buurman was hier niet van gediend, waardoor er een woordenwisseling ontstond. Vervolgens is eiser geduwd door de buurman en daarna fysiek aangevallen. Eiser viel op de grond door de klappen die hij kreeg.
Onderaan het verslag van het feitenonderzoek wordt vermeld dat verweerder met de buurman in gesprek gaat en dat daarna weer bij eiser wordt teruggekomen om het incident verder af te handelen.
Het verslag van het feitenonderzoek bij de buurman geeft – zoals door verweerder in het verweerschrift terecht wordt opgemerkt - een andere lezing van het incident. Daaruit volgt dat - volgens de buurman - eiser hem niet juist heeft aangesproken toen hij aangaf dat er te hard werd gepraat en vroeg of het wat zachter kon. De buurman heeft daarbij zijn grens aangegeven bij eiser en eiser gevraagd om rustig aan te doen. Eiser reageerde daar niet goed op, waardoor het uitliep op fysiek geweld. De buurman heeft vervolgens foto’s laten zien waarop te zien is dat hij door eiser is toegetakeld. Daarop is zichtbaar dat de buurman een gescheurd shirt had, een rode wang en een rood oor. Ook had de buurman krassen op de rechterarm en onder de oksel. Volgens de buurman hebben zowel hij als eiser fysiek en/of verbaal agressief gereageerd in de situatie.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling van eiser dat hij zich niet agressief heeft opgesteld geen aanleiding vormt om te twijfelen aan het concrete verslag van het incident dat zich in het procesdossier bevindt. Eiser betwist niet dat er sprake was van een fysieke confrontatie met de buurman nadat hij in verband met ervaren geluidsoverlast naar hem is gegaan. De rechtbank gaat uit van het verslag van de feiten zoals zich dat in het procesdossier bevindt. Uit beide hiervoor genoemde verslag van feitenonderzoek blijkt niet dat eiser enkel uit zelfverdediging heeft gehandeld. De door eiser overgelegde getuigenverklaring en de daarop door deze getuige ter zitting gegeven toelichting brengt daarin geen verandering. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat – anders dan in de getuigenverklaring wordt aangegeven – wel sprake is van ‘bewijs’ met betrekking tot het bij de buurman toegediende letsel. Uit het verslag van feitenonderzoek bij de buurman volgt immers dat de buurman foto’s heeft van het bij hem ontstane letsel. Mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat aan het incident wel de kwalificatie ‘grote impact’ kan worden gekoppeld. Daaronder wordt volgens het Maatregelenbeleid van verweerder onder meer begrepen ‘gedrag met als doel de ander te bedreigen of fysieke schade toe te brengen’ en daar is sprake van. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aan eiser opgelegde ROV-4 maatregel passend is bij deze kwalificatie. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de opgelegde maatregel desondanks in dit geval disproportioneel zou zijn. De rechtbank laat daarbij in het midden of en in welke mate de buurman heeft bijgedragen aan de fysieke confrontatie, omdat het handelen van eiser en de buurman door verweerder zelfstandig is beoordeeld. Verweerder heeft wel toegelicht dat ook aan de buurman een ROV-4 maatregel is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
M.J. Kambeel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Reglement Onthoudingen Verstrekkingen.
2.Zie het Maatregelenbeleid COa van 6 mei 2025, pagina 8.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.