Eiseres, afkomstig uit Iran, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving deze aanvraag op 22 juli 2025 en diende binnen zes maanden te beslissen. Eiseres stelde de minister op 24 februari 2026 schriftelijk in gebreke en stelde op 15 maart 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
Op 24 maart 2026 trad een besluitmoratorium in werking voor asielaanvragen van Iraanse vreemdelingen, waardoor de beslistermijn met één jaar werd verlengd tot maximaal 21 maanden. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het moratorium nog niet van kracht was bij de ingebrekestelling en het beroep. Echter valt de aanvraag van eiseres onder het moratorium, waardoor de beslistermijn nog niet is verstreken.
De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Omdat eiseres het beroep terecht heeft ingesteld op het moment van indiening, kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe van € 467,-. De minister wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 13 april 2026.