Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9054

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
vk_25_16995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet COAArt. 3 Rva 2005Art. 9 Rva 2005Art. 10 Rva 2005Art. 19 Rva 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen ROV-4 maatregel opgelegd door COA wegens verbaal agressief gedrag

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een ROV-4 maatregel die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) aan hem heeft opgelegd. De maatregel houdt in dat gedurende één week alle verstrekkingen aan eiser worden ingehouden vanwege verbaal agressief gedrag jegens medewerkers van de GZA en POH-GGZ op 6 juni 2025.

De rechtbank heeft het incidentenverslag en het verslag van het feitenonderzoek beoordeeld, waaruit blijkt dat eiser onder meer dreigende uitspraken heeft gedaan en een agressieve houding aannam. Hoewel eiser stelde emotioneel en vanuit trauma te hebben gereageerd zonder daadwerkelijke bedreiging, heeft hij dit niet onderbouwd. De rechtbank kwalificeert het gedrag als een gedraging met grote impact, passend binnen het maatregelenbeleid van het COA.

De rechtbank concludeert dat de opgelegde ROV-4 maatregel proportioneel en passend is bij de ernst van het incident. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Esmeijer en griffier Kambeel op 13 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de ROV-4 maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/16995

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over het besluit van 8 juni 2025 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met de aan hem bij dat besluit opgelegde maatregel. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit stand kan houden.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 8 juni 2025 aan eiser op grond van het ROV [1] een ROV-4 [2] maatregel opgelegd en bepaald dat met ingang van 9 juni 2025 voor een periode van één week alle aan eiser op grond van de Rva [3] verleende verstrekkingen worden ingehouden.
2.2
Eiser heeft tegen dit besluit een klacht ingediend. Omdat tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank heeft verweerder de klacht doorgezonden naar de rechtbank om te worden behandeld als een beroep.
2.3
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, S. Reraie Fhavamabadi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3.1
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is verweerder belast met materiële en immateriële opvang van asielzoekers.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet COA is de minister bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet COA. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005.
Artikel 3, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat het COA zorg draagt voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat aan hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.
Artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat de opvang op een opvangvoorziening in elk geval de verstrekkingen omvat die zijn opgesomd onder onderdeel a tot en met g van dit artikellid.
Artikel 10 van Pro de Rva 2005 bepaalt dat de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker kunnen worden onthouden, onder meer indien de asielzoeker ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
In artikel 19 van Pro de Rva 2005 is - voor zover hier van belang - bepaald dat de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangcentrum verplicht is:
a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van het desbetreffende opvangcentrum;
b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van het desbetreffende opvangcentrum.
3.2
In het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen (ROV) is het beleid neergelegd met betrekking tot de bevoegdheid om de Rva-verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden. Volgens dit beleid wordt de maatregel ROV-4 opgelegd, waarbij – voor zover hier van belang – gedurende één week alle verstrekkingen worden ingehouden, indien sprake is van een grote impact van een incident/getoond gedrag van een bewoner.
4. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat volgens verweerder eiser op 6 juni 2025 verbaal agressief is geweest jegens medewerkers van de GZA [4] en de POH-GGZ [5] .
Volgens het maatregelenbeleid wordt dit aangemerkt als een gedraging die overlast van grote impact heeft doen ontstaan.
5. De rechtbank overweegt dat uit het incidentenverslag van 6 juni 2025 volgt dat de GZA heeft aangegeven dat eiser mentaal niet lekker in zijn vel zit en dat hij eiser niet eerder in een dusdanige mentale toestand heeft gezien. Eiser heeft tijdens het gesprek met de GZA aangegeven dat hij wel een ‘gun’ zou willen gebruiken hetgeen was bedoeld voor de persoon die eiser in elkaar had geslagen. Uit hetzelfde incidentenverslag volgt verder dat eiser richting de medewerker van de POH-GGZ heeft geroepen “Fuck COa, fuck the police.”. Ook wordt vermeld dat eiser deze medewerker heeft uitgescholden en daarbij een dreigende houding heeft aangenomen. Na daarmee te zijn geconfronteerd is eiser boos weggelopen. Uit het verslag van het ‘gesprek feitenonderzoek’ van 6 juni 2025 volgt dat eiser tijdens dat gesprek heeft gezegd dat hij de medewerker van de POH-GGZ wat aan zou doen als hij oog in oog met haar zou komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gedrag terecht als verbaal agressief gedrag aangemerkt. De enkele stelling van eiser dat hij tijdens het gesprek op 6 juni 2025 emotioneel en vanuit een trauma heeft gereageerd, maar dat hij niemand verbaal of fysiek heeft bedreigd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen in het incidentenverslag en het verslag van het ‘gesprek feiten onderzoek’ is opgenomen. Eiser heeft de juistheid van zijn weergave van het gesprek met de medewerker van de POH-GGZ op geen enkele wijze onderbouwd. Mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat aan het incident wel de kwalificatie ‘grote impact’ kan worden gekoppeld. Daaronder wordt volgens het Maatregelenbeleid van verweerder onder meer begrepen ‘gedrag met als doel de ander te bedreigen of fysieke schade toe te brengen’ en daar is sprake van. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aan eiser opgelegde ROV-4 maatregel passend is bij deze kwalificatie. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de opgelegde maatregel desondanks in dit geval disproportioneel zou zijn.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
M.J. Kambeel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Reglement Onthoudingen Verstrekkingen.
2.Zie het Maatregelenbeleid COa van 6 mei 2025, pagina 8.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
4.GezondheidsZorg Asielzoekers.
5.Praktijkondersteuner Huisarts Geestelijke Gezondheidszorg.