Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een ROV-4 maatregel die het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) aan hem heeft opgelegd. De maatregel houdt in dat gedurende één week alle verstrekkingen aan eiser worden ingehouden vanwege verbaal agressief gedrag jegens medewerkers van de GZA en POH-GGZ op 6 juni 2025.
De rechtbank heeft het incidentenverslag en het verslag van het feitenonderzoek beoordeeld, waaruit blijkt dat eiser onder meer dreigende uitspraken heeft gedaan en een agressieve houding aannam. Hoewel eiser stelde emotioneel en vanuit trauma te hebben gereageerd zonder daadwerkelijke bedreiging, heeft hij dit niet onderbouwd. De rechtbank kwalificeert het gedrag als een gedraging met grote impact, passend binnen het maatregelenbeleid van het COA.
De rechtbank concludeert dat de opgelegde ROV-4 maatregel proportioneel en passend is bij de ernst van het incident. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Esmeijer en griffier Kambeel op 13 april 2026.