In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 20 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De minister had op 26 december 2025 besloten om de asielaanvraag van eiser, ingediend op 20 juni 2025, niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting.
De rechtbank onderzoekt de argumenten van eiser, die stelt dat de minister de aanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser voert aan dat een overdracht naar Duitsland een reëel risico op een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand met zich meebrengt. De rechtbank wijst deze beroepsgrond af, omdat eiser zijn medische problematiek niet voldoende heeft onderbouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat het aan de vreemdeling is om objectieve gegevens te overleggen die de ernst van zijn gezondheidstoestand aantonen.
De rechtbank concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn overdracht naar Duitsland een reëel risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd dat hij in Duitsland onvoldoende medische zorg zal ontvangen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.