Eisers, echtgenoten uit Iran, dienden asielaanvragen in bij de minister van Asiel en Migratie op 29 januari 2025. De minister moest binnen zes maanden beslissen, maar stelde een besluitmoratorium in voor Iran per 24 maart 2026, waardoor de beslistermijn met maximaal één jaar werd verlengd tot 21 maanden.
Eisers stelden de minister op 23 oktober 2025 in gebreke en dienden op 12 maart 2026 beroepen in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestellingen en beroepen tijdig waren, omdat het moratorium toen nog niet van kracht was. Echter, de beslistermijn was nog niet verstreken door het moratorium, waardoor de beroepen kennelijk ongegrond zijn.
De rechtbank wijst een proceskostenvergoeding van €467 toe aan eisers vanwege het tijdig instellen van de beroepen en het inschakelen van een professionele gemachtigde. De minister wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. Er wordt geen bestuurlijke dwangsom opgelegd omdat de minister niet te laat heeft beslist.