ECLI:NL:RBDHA:2026:9045
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen oplegging inreisverbod op grond van artikel 66a Vreemdelingenwet
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het door de minister opgelegde inreisverbod van twee jaar op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet. De minister legde het inreisverbod op omdat eiser niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn Nederland en het EU-gebied had verlaten na een eerder terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelt dat de minister het inreisverbod terecht heeft opgelegd. De gronden voor het besluit zijn kenbaar gemaakt en voldoen aan de wettelijke vereisten. Het inreisverbod is niet gebaseerd op een actuele, werkelijke, ernstige bedreiging van de openbare orde, zoals eiser ten onrechte stelde.
Eiser voerde aan dat het inreisverbod in strijd is met zijn familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een concreet familie- of gezinsleven binnen de EU dat het opleggen van het inreisverbod zou moeten verhinderen. De minister heeft bovendien eiser de mogelijkheid gegeven te reageren, maar eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Daarom is er geen reden om af te zien van het inreisverbod op grond van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.