ECLI:NL:RBDHA:2026:9021
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenveroordeling wegens niet-tijdig beslissen op verblijfsaanvragen
Verzoekers dienden beroepen in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning. Nadat de minister alsnog op 30 december 2025 een besluit nam, trokken verzoekers hun beroepen in en verzochten om vergoeding van proceskosten.
De minister erkende samenhang tussen de zaken en bood een vergoeding van €233,50 aan, verwijzend naar een eerdere uitspraak. De rechtbank oordeelde dat de minister inderdaad aan de beroepen tegemoet was gekomen en dat de verzoeken tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond waren.
Gezien het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele gemachtigde, hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5, wat resulteerde in een vergoeding van €467. Omdat de zaken samenhangend waren en door dezelfde gemachtigde werden behandeld, bleef de vergoeding beperkt tot het bedrag van één zaak.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van deze proceskostenvergoeding en wees een zitting af, aangezien dit niet noodzakelijk werd geacht.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467 aan proceskosten wegens niet-tijdig beslissen op verblijfsaanvragen.