Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/09/697839 / KG ZA 26-49
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019h RvArt. 1019i RvArt. 4 Brussel I bis-VoArt. 80 lid 2 onder a ROW 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inbreukverbod op Europees octrooi trapbekleding wegens serieuze kans op nietigheid

I4F Licensing NV vordert een inbreukverbod tegen Van Dijk Postforming & Vlakverlijming B.V. wegens vermeende inbreuk op Europees octrooi EP 2 700 765, dat betrekking heeft op een paneel voor trapbekleding met specifieke V-vormige uitsparingen en een flexibele, samendrukbare afwerklaag.

Van Dijk betwist de geldigheid van het octrooi en voert aan dat het octrooi niet nieuw en niet inventief is, onder meer vanwege eerdere publicaties zoals WO 2012/069673 (WO 673) en EP 1 262 607 (EP 607). De voorzieningenrechter oordeelt dat WO 673 reeds een flexibele en samendrukbare afwerklaag openbaart, zodat EP 765 niet nieuw is. Daarnaast bestaat een serieuze kans dat het octrooi niet inventief is, omdat de vakman op basis van WO 673 en EP 607 tot de geclaimde oplossing zou komen.

Gelet op deze voorlopige beoordeling wordt het gevorderde inbreukverbod afgewezen. I4F wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op €74.685,15. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, maar de kans op nietigheid van het octrooi weegt zwaarder in deze voorlopige voorziening.

De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen bodemprocedure voor de definitieve beoordeling van de geldigheid van het octrooi en bevestigt dat voorlopige voorzieningen bij octrooigeschillen alleen worden toegewezen als het octrooi voldoende kans van slagen heeft.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het inbreukverbod af wegens een serieuze kans op nietigheid van het octrooi EP 765.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/697839 / KG ZA 26-49
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
I4F LICENSING NV,
te 2300 Tunhout (België),
eiseres,
hierna te noemen: I4F,
advocaat: mr. W.J.G. Maas,
tegen

1.VAN DIJK POSTFORMING & VLAKVERLIJMING B.V.,

te Weert,
gedaagde,
hierna te noemen: Van Dijk,
advocaat: mr. T. Berendsen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 januari 2026 met producties EP01 tot en met EP14,
- de conclusie van antwoord van Van Dijk met producties GP01 tot en met GP18,
- de akte houdende reactie op nietigheidsverweer tevens overlegging reactieve producties van I4F met overlegging producties EP15 tot en met EP17,
- de akte houdende in het geding brengen reactieve producties van Van Dijk met producties GP19 tot en met GP26,
- overlegging productie GP27 van Van Dijk,
- de akte houdende overlegging aanvullende proceskosten met productie EP18 van I4F,
- de pleitnotities van I4F,
- de pleitnotities van Van Dijk.
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

Partijen
2.1.
I4F is opgericht in 2013 en richt zich op de ontwikkeling van- en het in licentie geven van technologieën op het gebied van
home improvement,waaronder bijvoorbeeld
vloer- en trapbekleding. Naast technologieën die het resultaat zijn van haar eigen R&D activiteiten, geeft I4F ook technologieën in licentie die door haar partners zijn ontwikkeld en waarvoor i4F exclusieve licentierechten heeft verkregen. Op het gebied van trapbekleding werkt I4F sinds de zomer van 2025 samen met Vakman Interieur Concepten B.V. (hierna: ‘VIC’).
2.2.
Van Dijk is actief op het gebied van traprenovatie. Zij produceert trappanelen in Nederland en verhandelt deze vooral op de zakelijke markt. Van Dijk maakt onderdeel uit van een groep van ondernemingen die onder de naam StairCampus gezamenlijk actief zijn in de ontwikkeling, productie en uitvoering van traprenovatieoplossingen. Van Dijk is binnen de groep verantwoordelijk voor de productie van trapcomponenten. Van Dijk biedt onder meer trappanelen aan onder de merknaam “MexForm LVT’.
Het octrooi
2.3.
VIC is houder van het Europees octrooi EP 2 700 765 (hierna: EP 765 of het Octrooi) en heeft aan I4F een exclusieve licentie verleend voor dit Octrooi. VIC heeft aan I4F een volmacht verstrekt, waarmee I4F door VIC is gemachtigd om EP 765 jegens derden te handhaven. EP 765, getiteld ‘A panel and a method for manufacturing same’ is op 20 augustus 2013 aangevraagd onder inroeping van de prioriteit van de Nederlandse octrooi-aanvrage NL 2009361 (24 augustus 2012, hierna: de prioriteitsdatum).
2.4.
Het EOB [1] heeft op 18 december 2019 het octrooi verleend, welke beslissing op 18 december 2019, de datum van publicatie van de vermelding van de verlening in het European Patent Bulletin, van kracht is geworden. Tegen de verlening van EP 765 is geen oppositie ingesteld. Het octrooi heeft gelding in onder meer Nederland, Frankrijk, Italië en Duitsland.
2.5.
EP 765 bevat 16 conclusies waarvan de voor deze zaak relevante onafhankelijke conclusie 1 in de authentieke Engelse versie als volgt luidt:
1. A panel (1), manufactured from a rigid plate-shaped base material (2) and a finish layer (4) provided on a first main surface (3) of said base material (2), said plate-shaped base material (2) comprising two parallel V-shaped recesses (6, 7) at a second main surface (5) that is directed away from said finish layer (4), having a depth that substantially reaches to said first main surface (3),
characterized in thatsaid finish layer (4) comprises a flexible material that is comprised of a compressible material that is positioned at the side of said first main surface (3) and an abrasion resistant layer that is remote from said first main surface (3) .
2.2.
In de – onbestreden – Nederlandse vertaling luidt conclusie 1 van het Octrooi als volgt:
1. Paneel (1), gevormd van een stijf plaatvormig basismateriaal (2) en een over een eerste hoofdoppervlak (3) van het basismateriaal (2) aangebrachte afwerklaag (4), waarbij het plaatvormige basismateriaal (2) aan een van de afwerklaag (4) afgelegen tweede
hoofdoppervlak (5) twee evenwijdige V-vormige uitsparingen (6, 7) omvat met een diepte tot in hoofdzaak het eerste hoofdoppervlak (3),
met het kenmerk, datde afwerklaag (4) een buigzaam materiaal omvat dat is gevormd van een aan de zijde van het eerste hoofdoppervlak (3) gelegen samendrukbare laag en een van het eerste hoofdoppervlak (3) afgelegen slijtvaste laag.
2.3.
In de preambule van EP 765 is het volgende opgenomen:
The present invention relates to a panel that is made of a rigid plate-shaped material, for example MDF or HDF, and a covering abrasion resistant finish layer, for example linoleum, vinyl, pvc or the like. Said base material comprises V-shaped recesses along which the panel may be bent so as to obtain a bent panel comprising a finish layer. Said panel may especially be used as a trim panel for a stair because of its high abrasion resistance. The invention also relates to a method for manufacturing a trim panel, wherein surfaces directed towards each other are mutually connected by means of an adhesive. For example, a structural adhesive may be used.
2.4.
EP 765 bevat de volgende figuren:
2.5.
In de beschrijving van EP 765 is onder meer het volgende opgenomen:
[0001]The present invention relates to a panel according to the preamble of claim 1. The invention furthermore relates to a method for manufacturing such a panel.
[0002]A panel like this is known in the art. For example, Japanese patent application JP2005290814A describes a panel that is intended as a trim panel for renovation of a stair. The panel parts are folded along V-shaped recesses so as to provide a folded panel. A veneer layer is provided as a cover for an MDF (or similar) base material of said panel. The panel is folded such that the veneer is positioned at the outside of said panel. For preventing damaging of said veneer layer near the panel’s side edges during use and for preventing said veneer layer from releasing from said base material due to stresses when folding said panel, the MDF base material is replaced by a solid wood strip and subsequently bevelled, such that said strip of solid wood will be positioned at the surface. The veneer layer is removed near the side edge as well. By applying said panel, wear near said side edge will not reveal MDF base material; only said strip of solid wood will become visible.
(…)
[0004]Other panels for renovation of stairs for use as a trim panel apply butt glue or nail joints. Mostly, these are manufactured from solid wood, optionally provided
with a protective finish. Such panels suffer from the disadvantage of high costs, due to the material used.
[0005]For example, International patent application WO2012/069673 relates to a trim panel obtained from a panel, manufactured from a rigid sheet-like base material and a finish provided on top of a first main surface of said base material. Said sheet-like base material comprises two V-shaped grooves at a second main surface directed away from said finished surface, said recesses reaching down to said first main surface. The finish is comprised
of a decorative layer and a wear layer. Both layers are rigid layers; as a consequence it is specifically identified that the connection between said decorative layer and said wear layer should be flexible. A practical use of such known trim panels for stairs has turned out to be not possible since bending said sheet-like base material yields a too large elongation of both layers yielding a discoloration of said decorative layer. Because of this extensive elongation, the life time is very short, maximally a few months, even upon limited use. Then, the decorative layer is completely worn.
[0006]The present invention aims at providing an improved panel of the kind mentioned in the preamble.
(…)
[0008]The invention also aims at providing an improved panel of the kind mentioned in the preamble that has limited wear and that will retain its shape during long time of use.
[0009]The invention especially aims at providing a trim panel for renovating stairs that can be manufactured easily and cheaply.
[0010]So as to obtain at least one of the above mentioned advantages, according to a first embodiment, the present invention provides a panel comprising the characteristics of claim 1. This panel has the advantage that it can be manufactured cheaply and easily. Furthermore, the panel has a high abrasion resistance. A further advantage is comprised of the fact that the panel’s appearance can be carried out to the user’s wishes.
(…)
[0016]So as to obtain an abrasion resistant and tight looking finish layer, it is preferred that the finish layer comprises a linoleum layer, a vinyl layer or a pvc layer.
(…)
[0029]Fig. 1 shows a starting position of a combination of parts for manufacturing a panel according to the present invention. Fig. 1 shows a plate-shaped base material 2 that is manufactured from a relatively rigid material, for example MDF or HDF. At a first main surface 3 of said plate-shaped base material 2 a finish layer 4 has been provided. Said finish layer 4 has been provided over the entire surface 3. From a side edge of a second main
surface 5, being positioned opposite from said first main surface 3, V-shaped recesses 6, 7, 8 have been provided. Said V-shaped recesses 6, 7, 8 have been provided substantially
to said finish layer 4.
(…)
[0032]Fig. 3 shows a final situation of panel 1. The combination of bent panel parts 9, 10 and 11 has also been bent along said V-shaped recess 8. In the embodiment shown in the drawing, the combination of panel parts 9, 10, 11 is situated at an angle of 90° with respect
to panel part 12.
(…)
De Van Dijk-trapbekleding
2.6.
Van Dijk vervaardigt en verkoopt trappanelen onder de naam MexForm LVT Panelen (hierna: de Van Dijk-trappanelen).
2.7.
Detailfoto’s [2] van een ongevouwen en een gevouwen Van Dijk-trappaneel zijn hieronder weergegeven:
De stand van de techniek
2.8.
Tot de stand van de techniek op de prioriteitsdatum van EP 576 behoren de publicaties van het octrooi met nummer EP 1 262 607 (hierna: EP 607) en het octrooi met nummer WO2012069673 (WO 673).
2.8.1.
EP 1 262 607(hierna: EP 607) ingediend op 25 mei 2001 en gepubliceerd op 4 december 2002, voor ‘Fussbodenplatte und Verfahren zu deren Herstellung’ (‘Method for the realization of a floor panel’). Bij EP 607 hoort de volgende afbeelding:
De beschrijving van EP 607 vermeldt onder meer:
[0020]A suitable wear layer is, in particular, an elastically adjusted film made of electron-beam-cured acrylates or polyolefin or polyester (PET) or TPU or PUR. Compared with hard lacquers or melamine surfaces, such a film has the advantage that it can follow the deformation of the decorative paper with the cushioning, resilient polyurethane layer on entering.
[0023]The rear polyurethane coating of the decorative paper offers, among other things, the possibility of setting the surface so soft and elastic that a considerable reduction in impact sound can be achieved. Other surface properties can also be promoted in a particular manner by adjusting the polyurethane material, so that floor coverings can be formed which have particular surface properties which are suitable especially for sports floors, sports floors and the like and influence, for example, the ball rebound behaviour.
[0027]The floor panel according to the invention consists in the core of a carrier plate 10, for example of particle board material, in particular MDF or HDF or of straw/hemp panels. Above this is a layer of a decorative paper 12, on the underside or rear side of which facing the carrier plate 10 a polyurethane layer 14 has been applied. The polyurethane layer 14 may be applied as a coating paint, adhered as a prefabricated film or otherwise applied to the rear side of the decorative paper.
2.8.2.
WO 673, ingediend op 25 november 2010 en gepubliceerd op 31 mei 2012, betreft een ‘Method for producing a nosing from a prefabricated laminate element for floors’. Het
abstractvan WO 673 luidt als volgt:
“Method for producing a nosing (M) from a prefabricated laminate element for floors, said element comprising a transparent wear layer (1), a decorative layer (2) and a composite structural layer (3), which comprises the steps of making one or two transverse cuts (C1, C2) in the composite structural layer (3), which cuts are inclined with respect to the surface of the element and intersect one another, gluing the two adjacent surfaces, in which the cuts are made through the composite structural layer (3) without cutting the transparent wear layer (1), such that the nosing (M) obtained is continuous on the edge thereof at the level of the transparent wear layer (1) and the decorative layer (2).”
In de beschrijving van de uitvinding van WO 673 is onder meer het volgende opgenomen:
“Therefore, with the element obtained with the process according to the invention it
is achieved:
Avoid the presence of surface joints, exposed to wear.
It maintains the resistance of the surface sheet, which in other circumstances would
constitute a source of crack propagation. (…)
The process of the invention finds an especially preferred application in the field of
flexible floors, especially vinyl, linoleum, rubber, leather, leather and / or cork.
Preferably, the composite structural layer comprises a high density board layer and
a counterbalance layer.”
Bij WO 673 horen onder meer de volgende figuren:
Correspondentie tussen partijen
2.9.
I4F heeft in een brief van 10 september 2025 Van Dijk gewezen op de inbreuk, die zij volgens I4F maakt op EP 765 door het aanbieden van de Van Dijk-trappanelen en verzocht om met haar in overleg te treden over een minnelijke schikking en licentie. In haar schriftelijke reactie van 17 september 2025 heeft Van Dijk zich op het standpunt gesteld dat EP 765 niet nieuw en inventief is, althans dat het Van Dijk-trappaneel geen inbreuk maakt op het Octrooi.
2.10.
Overleg tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid.

3.Het geschil

3.1.
I4F vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat:
1. Inbreukverbod. Gedaagde zal verbieden om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis direct dan wel indirect inbreuk te maken op het Europese octrooi EP 2 700 765 B1, op straffe van een dwangsom;
2. Opgave. Gedaagde zal bevelen de advocaat van eiseres binnen vier (4) weken na betekening van het vonnis een schriftelijke opgave te verstrekken, vergezeld van kopieën van alle relevante documenten (waaronder inkoop en verkoopfacturen) ten bewijze van die opgave, van alle bedrijfsgegevens met betrekking tot de inbreukmakende producten;
3. Recall. Gedaagde zal bevelen alle door haar aan derden (met uitzondering van eindconsumenten) verkochte, geleverde of anderszins ter beschikking gestelde exemplaren van de inbreukmakende trappanelen en/of onderdelen daarvan terug te roepen door zulke derden binnen twee weken na betekening van het vonnis schriftelijk te verzoeken alle exemplaren van de inbreukmakende trappanelen en/of onderdelen daarvan aan haar terug te zenden;
4. Afgifte ter vernietiging. Gedaagde zal gebieden om binnen vijfenveertig (45) dagen na betekening van het vonnis alle onder vordering 1 bedoelde inbreukmakende producten die in Nederland in voorraad worden gehouden door of in opdracht van gedaagde, en alle dergelijke inbreukmakende producten die gedaagde retour krijgen op grond van het onder vordering 3 bedoelde recall-bevel, aan eiseres af te geven ter vernietiging op een door eiseres nader aan te geven plaats binnen Nederland;
5. Gedaagde te bevelen per overtreding van iedere niet (gehele of deugdelijke) nakoming van de onder sub 2, 3 en 4 genoemde bevelen aan eiseres een onmiddellijk opeisbare dwangsom te betalen;
6. Gedaagde met toepassing van artikel 1019h Rv [3] te veroordelen in de volledige door eiseres nader te specificeren kosten van het geding;
7. Dat de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van art. 1019i Rv op zes maanden wordt gesteld na de datum het in deze te wijzen vonnis.
3.2.
I4F legt – verkort weergegeven – aan haar vorderingen ten grondslag dat Van Dijk met de verhandeling van de Van Dijk-trappanelen inbreuk maakt op conclusie 1 en de daarvan afhankelijke conclusies 2 t/m 13 van EP 765, althans onrechtmatig jegens haar handelt.
3.3.
Van Dijk voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van I4F. Zij voert hiertoe aan dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het octrooi in een bodemprocedure (voor het betreffende nationale deel) nietig zal worden verklaard. Daarnaast meent Van Dijk dat in het geval EP 765 wel geldig zou zijn daarop door haar geen inbreuk wordt gemaakt, zodat ook op grond daarvan de vorderingen van I4F dienen te worden afgewezen. Een en ander met veroordeling van I4F in de proceskosten ex artikel 1019h Rv.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter volgt uit artikel 4 Brussel Pro I bis-Vo [4] , aangezien Van Dijk in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 80 lid 2 onder Pro a ROW 1995 [5] . Van Dijk heeft de internationale en relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter overigens ook niet bestreden.
Spoedeisend belang
4.3.
I4F stelt dat sprake is van een voortdurende inbreuk door Van Dijk op EP 765. Daarmee is het spoedeisende belang bij het gevorderde inbreukverbod gegeven. Overigens is het (bestaan van) spoedeisend belang niet door Van Dijk bestreden.
Onderwerp van het octrooi
4.2.
De uitvinding volgens EP 765 ziet op een paneel van een niet-flexibel
(‘rigid’)basismateriaal, dat is voorzien van V-vormige uitsparingen. Op dit basismateriaal is een bovenlaag aangebracht van een buigzaam materiaal, dat bestaat uit een samendrukbare laag en een niet samendrukbare, slijtvaste laag. Door het paneel te vouwen op de plaatsen waar het niet-flexibele basismateriaal ontbreekt, omdat daar de V-vormige uitsparingen zijn aangebracht, kan een paneel volgens het Octrooi bij het buigzame materiaal worden gebogen in hoeken van 90 graden. Door de spanning in de bovenlaag te verminderen door gebruik van een onderliggend samendrukbaar materiaal, ontstaat een paneel dat bij verbuiging bestand is tegen slijtage op het verbogen vlak.
Gemiddelde vakpersoon
4.3.
De relevante vakpersoon is door Van Dijk gedefinieerd als een technisch geschoolde constructeur of productontwikkelaar op het gebied van vloer- en paneelsystemen, met specifieke kennis van hout- en houtvezelpanelen zoals HDF, MDF of vergelijkbare plaatmaterialen; vloersamenstellingen en bekledingspanelen die bestaan uit meerdere lagen; mechanische eigenschappen van panelen, waaronder buiggedrag, spanningsverdeling en scheurvorming; bekende verbindings- en profileringstechnieken zoals groeven, uitsparingen en V-sneden; bekledingsmaterialen zoals PVC, linoleum, etc. voor het bekleden van plaatmateriaal.
4.4.
Volgens I4F is de gemiddelde vakpersoon een technisch geschoolde productontwikkelaar of constructeur die zich bezighoudt met het ontwerpen van driedimensionale, niet-vlakke panelen die door middel van groeven kunnen worden gevouwen om over een bestaande traptrede te worden aangebracht. Zijn primaire technische aandachtspunten betreffen buiggedrag in knikzones, spanningsconcentraties ter plaatse van de neus, structurele integriteit bij dynamische puntbelasting en duurzame verlijming van haaks op elkaar staande paneeldelen.
4.5.
De voorzieningenrechter gaat uit van een gemiddelde vakpersoon die een ingenieursopleiding heeft doorlopen of een gevorderde graad heeft in de materiaalkunde en ten minste 5 jaar ervaring heeft op het gebied van het ontwerpen, vervaardigen en ontwikkelen van panelen en trappanelen die zijn samengesteld uit verschillende materialen. De voorzieningenrechter volgt I4F niet in haar betoog dat er een wezenlijk onderscheid is tussen het technische gebied van vloerpanelen en trappanelen. I4F heeft deze stelling – tegenover de gemotiveerde betwisting door Van Dijk – vooralsnog onvoldoende onderbouwd.
Conclusiekenmerken
4.6.
Bij de beoordeling van de onafhankelijke conclusie 1 van EP 765 zal de voorzieningenrechter uitgaan van de volgende onderverdeling in kenmerken:
Kenmerk
Conclusie 1 van EP 765
1.
Paneel (1),
1.1
gevormd van een stijf plaatvormig basismateriaal (2) en
1.1.1
een over een eerste hoofdoppervlak (3) van het basismateriaal (2) aangebrachte afwerklaag (4),
1.2
waarbij het plaatvormige basismateriaal (2) aan een van de afwerklaag (4) afgelegen tweede hoofdoppervlak (5) twee evenwijdige V-vormige uitsparingen (6, 7) omvat
1.2.1
met een diepte tot in hoofdzaak het eerste hoofdoppervlak (3),
Met het kenmerk dat
1.3
de afwerklaag (4) een buigzaam materiaal omvat dat is gevormd van een aan de zijde van het eerste hoofdoppervlak (3) gelegen samendrukbare laag en een van het eerste hoofdoppervlak (3) afgelegen slijtvaste laag.
Geldigheid octrooi EP 765
4.7.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij wijze van voorlopige voorziening gevorderde maatregel op grond van gestelde octrooi-inbreuk in beginsel dient te worden afgewezen, indien een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het ingeroepen octrooi nietig is.
4.8.
Van Dijk voert aan dat de ingeroepen hoofdconclusie 1 en de daarop voortbouwende conclusies 2 tot en met 13 van EP 765 nietig zijn in het licht van WO 673 (zie 2.8.2), want hetzij wordt de in genoemde conclusies geclaimde materie daar volledig geopenbaard, hetzij zou die materie voor de gemiddelde vakpersoon, gebruikmakend van zijn algemene vakkennis, binnen handbereik liggen. Naar voorlopig oordeel slaagt dit verweer, waartoe het volgende redengevend is.
Nieuwheid EP 765
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het reeds lang voor de prioriteitsdatum bekend was dat het inzagen van een paneel tot gevolg heeft dat dit paneel kan worden vervormd of verbogen rond die inzaging (dat wil zeggen, rond de door het inzagen ontstane uitsparing). Deze verbuiging is afhankelijk van de vorm en de diepte van de uitsparing, zodat een V-vormige inzaging (kenmerk 1.2) tot gevolg zal hebben dat het basismateriaal door buigen rond die V-vormige uitsparing tot een hoek kan worden gevormd.
4.10.
Ook zijn partijen het erover eens dat wanneer een paneel voorzien is van één of meerdere toplagen (een zogenaamd gelamineerd paneel) en deze toplagen niet worden doorsneden, het vouwen van het onderliggende basismateriaal tot gevolg heeft dat de toplaag of toplagen onder spanning komen te staan (zie ook toelichting
[0005]bij EP 765). Het probleem dat EP 765 beoogt op te lossen, heeft specifiek betrekking op de kwetsbaarheid van deze toplaag als gevolg van de spanning die in de toplaag ontstaat bij het vouwen van het paneel
.
4.11.
WO 673 ziet eveneens op een werkwijze voor het vervaardigen van een trappaneel vanuit een geprefabriceerd laminaat element voor vloeren. Het debat spitst zich toe op de vraag of WO 673 aan de vakpersoon ook de maatregel uit conclusie 1 openbaart dat de gelamineerde laag van een paneel bestaat uit een flexibele laag en een samendrukbare laag (
‘said finish layer (4) comprises a flexible material that is comprised of a compressible material’). Volgens I4F is dat niet het geval omdat WO 673 weliswaar de decoratieve laag (2) en de slijtlaag (1) toont, maar dat dit geen afwerklaag volgens het octrooi vormt, omdat WO 673 niet expliciet openbaart dat de decoratieve laag en/of de slijtlaag samendrukbaar is.
4.12.
De voorzieningenrechter is van oordeel, zoals ook door Van Dijk is betoogd, dat de vakpersoon op basis van zijn algemene vakkennis uit WO 673 de toepassing zou begrijpen van een buigzame afwerklaag die in enige mate samendrukbaar is (zie de hiervoor onder 2.8.2 weergegeven passages). De publicatie beschrijft daar immers dat de vloerdelen volgens de uitvinding in een voorkeursuitvoering ‘flexible’ zijn:
“The process of the invention finds an especially preferred application in the field of flexible floors, especially vinyl, linoleum, rubber, leather, leather and / or cork.”Ook in EP 765 wordt gesproken over een voorkeursuitvoering waarbij de afwerklaag linoleum, vinyl of pvc omvat (zie toelichting
[0016]bij EP 765).
4.13.
Het behoort tot de algemene kennis van de vakpersoon dat een materiaal dat moet (kunnen) worden gebogen aan de kant van het materiaal (de topkant) het meest wordt uitgerekt bij het buigen. De topkant zal dus ‘flexible’ moeten zijn (in de zin van ‘rekbaar’). Eveneens weet de vakpersoon dat het deel van het materiaal dat niet wordt uitgerekt (de onderkant) bij het buigen zal worden samengedrukt. De materialen zoals genoemd in WO 673, specifiek in de voorkeursuitvoering, met name vinyl, zullen dus zowel flexibel/buigzaam als samendrukbaar moeten zijn om te kunnen worden gevouwen tot een trappaneel.
4.14.
Conclusie 1 van WO 673 spreekt over het insnijden/inzagen van de structurele laag en het vouwen van het paneel in de vorm van de bedoelde hoek, terwijl bovendien de beschrijving aan de vakpersoon leert dat de afwerklaag niet mag worden doorsneden. De insnijding moet gebeuren
“without cutting the transparent wear layer (1), such that the nosing (M) obtained is continuous on the edge thereof at the level of the transparent wear layer (1) and the decorative layer (2)”. Anders dan I4F meent, volgt hieruit reeds – gelet op de algemene vakkennis zoals aangehaald onder 4.13 –dat de afwerklaag in WO 673 buigzaam en samendrukbaar zal moeten zijn. De beschrijving van WO 673 zegt immers ook:
“Therefore, with the element obtained with the process according to the invention it is achieved: Avoid the presence of surface joints, exposed to wear. It maintains the resistance of the surface sheet, which in other circumstances would constitute a source of crack propagation.”De uitvinding van WO 673 is daarmee hetzelfde als de uitvinding van EP 765; beide uitvindingen betreffen het vouwen/buigen van een paneel door een combinatie van een V-vormige uitsparing in de onderlaag met een afwerklaag die niet doorsneden wordt, zodat die afwerklaag door het buigen aan de topkant onder spanning komt te staan en aan de onderkant wordt samengedrukt.
4.15.
Hieruit volgt dat de afwerklaag in WO 673 aan dezelfde eigenschappen moet voldoen als welke in kenmerk 1.3 van conclusie 1 van EP 765 worden geclaimd, te weten buigzaamheid en samendrukbaarheid. Zodoende wordt in WO 673 ook al een afwerklaag geopenbaard die buigzaam en samendrukbaar is in de zin van EP 765. Dat in WO 673 niet expliciet wordt vermeld dat de afwerklaag samendrukbaar is dan wel uit welk materiaal die laag zou bestaan, doet hieraan niet af. In EP 765 is de term samendrukbaar immers niet nader gedefinieerd en is ook niet vermeld uit welk materiaal de lagen zouden moeten bestaan om samendrukbaar te (kunnen) zijn. Bovendien heeft I4F zich in de onderhavige procedure op het standpunt gesteld dat vrijwel ieder materiaal dat kan worden gebogen ook samendrukbaar is, zodat de ongedefinieerde term ‘samendrukbaar’ in conclusie 1 van EP 765 de vakpersoon geen nieuwe informatie geeft ten opzichte van WO 673. Onder die omstandigheden openbaart EP 765 niet meer dan WO 673 en is EP 765 (dus) niet nieuw ten opzichte van WO 673.
Inventiviteit EP 765
4.16.
Zelfs als dit anders zou zijn en WO 673 aan de vakpersoon niet direct en ondubbelzinnig het kenmerk zou openbaren dat de afwerklaag van een te vouwen laminaat-paneel buigzaam en samendrukbaar moet zijn, dan bestaat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een serieuze, niet te verwaarlozen kans dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat conclusie 1 van het ingeroepen octrooi niet inventief en dus nietig is.
4.17.
Partijen zijn het erover eens dat WO 673 de
closest prior artvormt en voor de vakpersoon dus een realistisch uitgangspunt is. Ook de voorzieningenrechter gaat hiervan uit.
4.18.
WO 673 verschilt dan van EP 765 in het kenmerk dat de afwerklaag een samendrukbare laag omvat aan het eerste hoofdoppervlak, en dat de slijtvaste laag van het eerste hoofdoppervlak is afgelegen (kenmerk 1.3 EP 765). Het technisch effect van dit verschilkenmerk heeft betrekking op de kwetsbaarheid van de afwerklaag ter plaatse van de vervorming (het scharnierpunt). Het objectieve technische probleem kan dan worden geformuleerd als hoe destructieve vervorming van de afwerklaag van een laminaatpaneel kan worden beperkt bij verbuiging van dat paneel.
4.19.
Naar voorlopig oordeel zou de vakpersoon zonder meer inzien dat hij door het inzagen van een paneel volgens WO 673 en het vervolgens buigen van dat paneel, de afwerklaag aan de bovenkant zal uitrekken. Door zijn algemene vakkennis zal hij tevens begrijpen dat het verbuigen ertoe leidt dat de tegenover liggende zijde zal worden samengedrukt (dat wil zeggen, aan de zijde van de kant van de inzaging, in EP 765 gedefinieerd als ‘het eerste hoofdoppervlak’), zie 4.13. De vakpersoon zal daarom begrijpen dat de afwerklaag een materiaal moet zijn dat enerzijds kan worden uitgerekt (het is buigzaam of ‘flexible’) en anderzijds kan worden samengedrukt teneinde de destructieve vervorming van de afwerklaag te beperken. Nu het niet noodzakelijk is dat dit rekken en samendrukken in één enkele laag plaatsvindt, zal de vakpersoon op zoek gaan naar een laminaatpaneel met een afwerklaag dat deze eigenschappen heeft in één of meerdere lagen. Naar voorlopig oordeel zou de vakpersoon bestaande panelen onderzoeken waarin sprake is van een samendrukbare afwerklaag. WO 673 wijst immers al in de richting van die oplossing, zodat die onderzoeksrichting voor de hand ligt.
4.20.
In EP 607 wordt geleerd dat de afwerklaag kan zijn samengesteld uit een flexibele/buigzame toplaag en een samendrukbare onderlaag, waarbij de toplaag de onderlaag in enige mate volgt wanneer op beide lagen druk van bovenaf wordt uitgeoefend. Dit betekent dat op dat moment de toplaag wordt uitgerekt en de onderlaag wordt ingedrukt. De vakpersoon begrijpt daarom dat wanneer druk van onderaf wordt uitgeoefend doordat het laminaatpaneel van EP 706 wordt ingezaagd en verbogen volgens WO 673, op het scharnierpunt de onderlaag eveneens zal worden samengedrukt en de toplaag zal worden uitgerekt, waarbij de toplaag de onderlaag zal volgen. De destructieve vervorming van de uitgerekte toplaag van het laminaatpaneel ter plaatse van het scharnierpunt wordt dan bij het buigen beperkt doordat de flexibele/buigzame toplaag wordt ondersteund door de samengedrukte onderlaag (waarmee het probleem wordt opgelost). Gelet hierop valt vooralsnog niet in te zien dat kenmerk 1.3 de conclusies inventiviteit kan verschaffen.
Slotsom
4.21.
Bij die stand van zaken bestaat er naar voorlopig oordeel een gerede kans dat de conclusies 1 t/m 13 van het Nederlandse deel van EP 765 door de bodemrechter zullen worden vernietigd vanwege het ontbreken van nieuwheid dan wel inventiviteit. De volgconclusies 2 t/m 13 delen dit lot nu Van Dijk heeft betoogd dat zij evenmin nieuw en/of inventief zijn en I4F niet heeft aangevoerd dat een van deze volgconclusies zelfstandig octrooieerbare materie zou bevatten. I4F heeft zich niet beroepen op inbreuk op werkwijze-conclusies 14 en 15, zodat deze onbesproken kunnen blijven. Gelet hierop wordt het inbreukverbod afgewezen, evenals de daarmee samenhangende nevenvorderingen.
Proceskosten
4.22.
I4F zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de op de voet van artikel 1019h Rv te begroten proceskosten aan de zijde van Van Dijk. Nu partijen ter zitting hebben verklaard een proceskostenafspraak te hebben gemaakt ter hoogte van de kosten van Van Dijk, door partijen gesteld op € 74.685,15, zal de voorzieningenrechter de proceskosten op dit bedrag begroten.
4.23.
Van Dijk heeft geen uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd, en evenmin toewijzing van wettelijke rente. Deze zullen dan ook niet in het dictum worden opgenomen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter,
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt I4F in de proceskosten, aan de zijde van Van Dijk op dit moment begroot op € 74.685,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Van Dijk niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek, rechter, bijgestaan door mr. E.E. de Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Voetnoten

1.Europees octrooibureau.
2.afbeeldingen overgenomen uit conclusie van antwoord van Van Dijk
3.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
5.Rijksoctrooiwet 1995