Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.43062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 behandeld en beoordeelt dat Nederland terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen, aangezien Oostenrijk het verzoek tot terugname heeft aanvaard. Eiser voerde aan dat de verlenging van de overdrachtstermijn in de procedure van zijn echtgenote onrechtmatig was en dat het non-refoulementbeginsel van toepassing is vanwege eerdere afwijzingen in Oostenrijk.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De procedure van de echtgenote is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor deze geen invloed heeft op de aanvraag van eiser. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Oostenrijk, en eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Oostenrijkse asiel- en opvangsysteem. De rechtbank gaat daarom niet in op het non-refoulementverweer.

De asielaanvraag van eiser is terecht niet in behandeling genomen en hij krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft niet in behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43062

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Burema)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij de Oostenrijkse autoriteiten een verzoek om terugname gedaan. De Oostenrijkse autoriteiten hebben dit verzoek op 6 augustus 2025 aanvaard.
Gronden
5. Eiser heeft beroep ingesteld met het oog op het beroep dat zijn echtgenote heeft ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in haar Dublinprocedure. Eiser en zijn echtgenote houden het er namelijk voor dat deze verlenging ten onrechte heeft plaatsgevonden. De uitkomst van deze procedure kan daarmee mogelijk gevolgen hebben voor eisers aanvraag om in Nederland te mogen blijven. Mocht de rechtbank oordelen dat de verlenging onrechtmatig is zal zijn echtgenote worden opgenomen in de nationale procedure. Het ligt voor de hand dat dan ook eiser in de nationale procedure zal worden opgenomen zodat hij niet gescheiden wordt van zijn echtgenote en kinderen.
6. Daarnaast doet eiser nog een beroep op het non-refoulement beginsel omdat zijn aanvraag in Oostenrijk tot tweemaal toe is afgewezen en er geen enkel aanleiding bestaat om ervan uit te gaan dat zijn aanvraag een volgende keer wel zal worden ingewilligd.

De beoordeling door de rechtbank

Procedure echtgenote
7. De rechtbank heeft vandaag het door de echtgenote van eiser ingediende beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken niet-ontvankelijk verklaard. [2] Dit betekent dat die procedure niet aan de afwijzing van de aanvraag van eiser in de weg staat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De minister mag ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie anders is. Dat is het geval als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid moeten bereiken om onder het bereik van artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest [4] te vallen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Zoals door de Afdeling geoordeeld, bijvoorbeeld in de procedure [5] van de echtgenote van eiser, kan ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. De minister heeft in het bestreden besluit goed gemotiveerd dat er geen belemmeringen zijn om eiser over te dragen aan Oostenrijk. Uit het claimakkoord volgt dat de aanvraag van eiser in Oostenrijk nog in behandeling is. De stelling van eiser dat zijn aanvraag in Oostenrijk niet serieus wordt beoordeeld is niet nader onderbouwd.
Non-refoulement
9. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat – kort gezegd – een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. [6] Nu de minister heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk, zal de rechtbank daarom niet op deze beroepsgrond ingaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen. Eiser krijgen geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.33783.
3.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.202503960/2/V2.
6.Zie de uitspraak van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, punt 129 tot en met punt 152.