Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8930

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
09/347176-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen professioneel vuurwerkbezit en voorhanden hebben van vuurwapenimitatie en geïmproviseerd explosief

De rechtbank Den Haag heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die op 19 december 2025 te Roelofarendsveen professioneel vuurwerk, een nabootsing van een vuurwapen en een geïmproviseerd explosief had opgeslagen en voorhanden had. De politie trof deze goederen aan in een loods en twee bestelauto's die aan de verdachte en een medeverdachte toebehoorden.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en het geïmproviseerde explosief in de loods en dat hij feitelijke macht had over deze voorwerpen. De verdachte werd medepleger geoordeeld voor het bezit van de grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en de verboden wapens. De verdediging voerde vrijspraak aan voor het bezit van het vuurwapen en het explosief, maar dit werd verworpen.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, de gevaren van het professioneel vuurwerk en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De inbeslaggenomen voertuigen werden teruggegeven aan de rechthebbenden omdat zij niet speciaal bestemd waren voor het plegen van misdrijven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Parketnummer: 09/347176-25
Datum uitspraak: 13 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.H.W. Spoelstra naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk,
professioneel vuurwerk en/of of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- 4,28 kilogram (snel)lont en/of
- 230 stuks, althans een of meer stuks, shells en/of mortierbommen en/of
- 95 stuks, althans een of meer stuks, bangers en/of
- 14,49 kilogram en/of 25 stuks althans een of meer stuks, vuurpijlen en/of
- 4,85 kilogram fontein en/of
- 12,04 kilogram en/of 11 stuks, althans een of meer stuks, batterij en/of flowerbed
en/of
- 1 Romeinse kaars
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of
heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad (in een loods/bedrijfspand aan het
Veenderveld 70) en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;
2
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een
ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen
geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing
van een vuurwapen van het merk Sig Sauer, model P320, kaliber 4,5 mm
voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en
Braassem
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een geïmproviseerd explosief,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde en heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 19 december 2025 zagen verbalisanten een bestelauto met kenteken [kenteken 1] rijden, waarop een ANPR-notificatie was afgegeven. Het voertuig werd in verband gebracht met de handel in illegaal vuurwerk. Het voertuig reed vervolgens naar binnen bij een loods gelegen aan de [adres 2] , waar het bedrijf is gevestigd op naam van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] . Op basis van de verdenking dat er professioneel vuurwerk aanwezig was, is de politie de loods binnengetreden. Daarbij heeft de politie een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk aangetroffen in de loods, in de bestelbus Renault Traffic met kenteken [kenteken 1] en in een bestelbus Renault Kangoo met kenteken [kenteken 2] . Tevens werd een nabootsing van een vuurwapen en een stuk geïmproviseerd vuurwerk aangetroffen.
Feit 1
Gelet op de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] een partij vuurwerk had opgehaald in de Renault Traffic en dat er vuurwerk aanwezig was in zowel de loods als de bestelbus Renault Kangoo, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte op 19 december 2025 te Roelofarendsveen professioneel vuurwerk heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad.
Feit 2
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 13 en Pro 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Voldoende is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Van bewustheid kan ook sprake kan zijn in een geval dat het (gelet op alle omstandigheden) niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De verdachte heeft op diverse momenten verklaard dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van het wapen in de loods, maar dat hij aan de persoon aan wie het wapen toebehoorde had aangegeven dat dit verwijderd moest worden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte ervan was overtuigd dat het vuurwapen inmiddels was verwijderd. De rechtbank stelt echter voorop dat de verdachte eigenaar is van het bedrijf gevestigd in de loods en reeds heeft erkend kennis te hebben van het feit dat er eerder een vuurwapen in zijn loods aanwezig was. En omdat de verdachte niet heeft vernomen of gecontroleerd of het vuurwapen daadwerkelijk verwijderd was moet de verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat het vuurwapen ook op 19 december 2025 nog in de loods (waarschijnlijk) aanwezig was.
Omdat de verdachte de toegang had tot het pand (en daar regelmatig kwam) had hij ook de beschikkingsmacht over het vuurwapen.
Het voorhanden hebben van het vuurwapen is daarmee bewezen.
Feit 3
In één van de kasten in de loods werd een stuk zelf geïmproviseerd vuurwerk aangetroffen, waarvan de aard door een materiedeskundige is vastgesteld. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte zowel geen wetenschap van als geen zeggenschap over dit stuk vuurwerk had.
De verdachte heeft verklaard dat hij de kast heeft aangewezen nadat de verbalisanten hadden gevraagd of er nog meer vuurwerk in het pand aanwezig was, maar dat hij niet wist dat het zelf geïmproviseerde vuurwerk in die kast lag.
De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op het feit dat de verdachte eigenaar is van het pand, toegang heeft tot de kasten en het pand kan betreden, dat de verdachte zowel wetenschap als zeggenschap had over het aangetroffen geïmproviseerde vuurwerk. Derhalve acht de rechtbank bewezen dat de verdachte dit vuurwerk voorhanden heeft gehad.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 19 december 2025 te Roelofarendsveen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,
opzettelijk,
professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
bestemd voor particulier gebruik, te weten:
-
2,75 kilogram(snel)lont en
- 230 stuks
,shells en mortierbommen en
- 95 stuks, bangers en
- 2,45 kilogram en 25 stuks vuurpijlen en
- 4,85 kilogram fontein en
- 12,04 kilogram en 11 stuks, batterij/flowerbed
en
- 1 Romeinse kaars
heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;
2
hij op 19 december 2025 te Roelofarendsveen,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie,
namelijk een nabootsing
van een vuurwapen van het merk Sig Sauer, model P320, kaliber 4,5 mm
voorhanden heeft gehad;
3
hij op 19 december 2025 te Roelofarendsveen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
en/of, alleen,
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een geïmproviseerd explosief,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot strafoplegging komt, verzoekt de verdediging het onvoorwaardelijke gedeelte van een gevangenisstraf te beperken tot de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, al dan niet in combinatie met de maximale taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan het opslaan en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en een geïmproviseerd explosief. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een imitatie-vuurwapen. De verdachte heeft het vuurwerk opgeslagen op drie verschillende locaties: twee voertuigen en een loods gelegen op een bedrijventerrein. Ook het explosief en het wapen waren in de loods aanwezig. Hierbij heeft de verdachte geen enkele veiligheidsmaatregel getroffen.
Het bezit van dergelijk vuurwerk, in deze hoeveelheid en op de gekozen opslaglocaties zoals bestelbussen en een bedrijfsterrein, vormt een aanzienlijke bedreiging voor de algemene veiligheid. Dit geldt in het bijzonder voor professioneel vuurwerk, dat een zwaardere of explosievere lading bevat dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten mag worden verkocht. Het afsteken van professioneel vuurwerk door particulieren brengt grote risico’s met zich mee. Niet alleen voor degene die het afsteekt, maar ook voor de omstanders. Professioneel vuurwerk kan massa-explosief reageren. Dit houdt in dat indien één exemplaar in een partij, waarin het vuurwerk dicht op elkaar ligt, ontbrandt en explodeert, de kans groot is dat de gehele partij mee-explodeert. Door het vuurwerk op te slaan, te vervoeren en daarnaast in de directe omgeving van een zelfgemaakt explosief te bewaren, heeft de verdachte de reeds bestaande gevaren van dit professioneel vuurwerk aanzienlijk vergroot en de veiligheid van zowel zichzelf als anderen en hun bezittingen in ernstige mate in gevaar gebracht.
Daarnaast was het vuurwerk opgeslagen op een terrein waar meerdere bedrijven zijn gevestigd. Bij een explosie zouden niet alleen de verdachte, maar ook de omliggende bedrijven ernstig getroffen kunnen worden. Het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV) heeft in een proces-verbaal een gevaarzetting met betrekking tot het aangetroffen vuurwerk opgenomen. Zij beschrijven dat de opslagplaats op geen enkel vlak voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Indien er brand zou uitbreken, zou dit ernstige gevolgen hebben voor personen of goederen in de nabijheid.
Verdachte is bekend met de gevaren van professioneel vuurwerk. Toch heeft het hem er niet van weerhouden om dergelijk vuurwerk te verzamelen en op te slaan, met alle gevaren en risico’s van dien. De rechtbank rekent verdachte deze gevaarzettingen zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover deze volgen uit het dossier en door hem ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft een eigen aannemersbedrijf. Hij heeft twee kinderen met zijn ex-vriendin en zij is hoogzwanger van hun derde kind.
Strafmaat
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij haar beslissing over de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten en de grote hoeveelheid aangetroffen gevaarzettende goederen, zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van zestien maanden opleggen, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 5 januari 2026 geschorst. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het geschorste bevel dient te worden opgeheven of dat voortduring van de schorsing op zijn plaats is.
De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het strafvorderlijke belang van vrijheidsbeneming zwaarder dient te wegen dan het persoonlijke belang van de verdachte bij zijn vrijheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reeds geldende schorsingsvoorwaarden ook op dit moment nog zijn aangewezen en zal derhalve geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, waardoor de schorsing (met bijbehorende voorwaarden) van rechtswege zal voortduren.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten de bestelauto Renault Kangoo met kenteken [kenteken 2] , verbeurd wordt verklaard, omdat dit voorwerp is gebruikt bij het begaan van feit 1. Ten aanzien van het andere op de beslaglijst genoemde voorwerp, de bestelauto Renault Traffic met kenteken [kenteken 1] , heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde de leasemaatschappij.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht tot teruggave van de auto’s, nu deze belangrijk zijn voor de verdachte voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voertuigen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden. Hoewel beide bestelauto’s bij het strafbare feit 1 zijn gebruikt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor verbeurdverklaring daarvan. De auto’s zijn niet speciaal bestemd of geschikt voor het plegen van dergelijke misdrijven; bovendien zijn ze van belang voor de bedrijfsvoering van de verdachte en de medeverdachte. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave van de auto’s verzet.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13, 26 en 55 Wet wapens en munitie;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 9.2.2.1 Wet milieubeheer;
- 1.2.2 Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit);
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
16 (ZESTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
8 (acht) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: de bestelauto Renault Kangoo met kenteken [kenteken 2] en de bestelauto Renault Traffic met kenteken [kenteken 1] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim en A.C. Veltink, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2026.