Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8923

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.63091 en NL25.63092
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31a lid 1 onder d Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herhaalde asielaanvraag wegens gebrek aan nieuwe informatie

Eiser, een Algerijnse staatsburger, diende op 4 december 2025 een herhaalde asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 19 december 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. De reden was dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die relevant waren voor de beoordeling van zijn aanvraag.

Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat hij niet opnieuw medisch was onderzocht, terwijl hij licht verstandelijk beperkt en slechthorend is. Ook voerde hij aan dat terugkeer naar Algerije zou leiden tot dakloosheid en ernstige zelfverwaarlozing, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende onderbouwing had gegeven voor deze stellingen en dat het medisch advies actueel genoeg was.

De rechtbank volgde de minister in zijn oordeel dat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het beroep reeds inhoudelijk was behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de herhaalde asielaanvraag niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63091 en NL25.63092
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 4 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen A. Cherradi.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In augustus 2025 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag gedaan, welke is afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan zijn opvolgende aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Algerije niets heeft en naar Europa is gekomen om te werken.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag. [1] Eiser heeft geen nieuwe informatie naar voren gebracht en geen asielrechtelijk relevante informatie naar voren gebracht.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, nu eiser vanuit bewaring is gehoord en hem niet een nieuw medisch onderzoek is aangeboden. Het medisch advies van 29 september 2025 is onvoldoende actueel. Eiser is licht verstandelijk beperkt en zeer slechthorend. Hij heeft sinds het eerdere medisch advies een zwervend bestaan geleid en was door de detentie uit zijn doen tijdens het gehoor. Verder heeft verweerder ten onrechte niet betrokken in de beoordeling dat eiser bij terugkeer naar Algerije dakloos zal worden en er vanwege zijn medische omstandigheden sprake zal zijn van verregaande zelfverwaarlozing. Er ontstaat dan een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Eiser verwijst daarbij naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [3]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren omdat eiser geen nieuwe informatie naar voren heeft gebracht. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag meermaals heeft aangegeven de vragen te hebben begrepen en heeft aangegeven zich goed genoeg te voelen om het gehoor af te leggen. Eiser heeft ook in beroep niet duidelijk gemaakt om welke reden het medisch advies onvoldoende actueel of onvolledig zou zijn. Eiser heeft ook niet onderbouwd op welke wijze het ontbreken van een nieuw medisch advies het onderzoek onvolledig of onzorgvuldig heeft gemaakt.
6. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat verweerder had moeten concluderen dat hij bij terugkeer in een situatie terecht zal komen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM omdat hij dakloos zal worden en niet zelfredzaam is. Eiser heeft tijdens het gehoor en middels zijn zienswijze geen informatie of onderbouwing hierover naar voren gebracht, noch ten aanzien van zijn persoonlijke (medische) omstandigheden, noch ten aanzien van de omstandigheden en (gesteld ontoereikende) voorzieningen in Algerije. Ook in beroep is dit niet verder onderbouwd.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt verder dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van Pro het EVRM te vallen, de behandeling een ‘minimum level of severity’ moet bereiken. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zoals de duur van de behandeling, de fysieke en mentale gevolgen ervan, en in sommige gevallen het geslacht, de leeftijd en de gezondheid van betrokkene. [4] Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een land waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in het land waar hij verblijft, niet voldoende is om te oordelen dat artikel 3 van Pro het EVRM in dat geval zal worden geschonden. [5] Gelet op deze drempel en gelet op het ontbreken van informatie over de gestelde schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Algerije, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om te concluderen dat de omstandigheden van eiser maken dat hij bij terugkeer in een situatie zal belanden die een schending oplevert van artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, M.S.S. tegen België en Griekenland, van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609; Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Tarakhel tegen Zwitserland, van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712; Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Paposhvili tegen België, van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810; Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Savran tegen België, van 1 oktober 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:1001JUD005746715.
4.Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Mayeka en Mitunga tegen België, van 12 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1012JUD001317803, punt 48.
5.Beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië, van 2 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC00227772510, punt 180.