ECLI:NL:RBDHA:2026:8921
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 2 december 2025 een opvolgende asielaanvraag in met het motief dat zijn homoseksuele gerichtheid sterker was geworden en dat hij een nieuwe vriend had. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 14 december 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn seksuele gerichtheid onvoldoende had onderbouwd en zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk waren.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026. Ondanks het ontbreken van een tolk en de afwezigheid van zijn gemachtigde, verscheen eiser zelf op de zitting en communiceerde in het Engels. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig achtte, maar dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig was vanwege summiere en tegenstrijdige verklaringen, ongerijmdheden over de relatie met zijn nieuwe vriend en het ontbreken van bewijs.
De rechtbank concludeerde dat de gronden van eiser onvoldoende waren om het bestreden besluit te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier M.E. Jans op 12 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.