Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/09/686638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:101 BWArt. 22 RvArt. 22a lid 3a RvArt. 23 Algemene Voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid ACM voor schade door foutieve vaststelling maximale warmtetarieven

Eneco vordert schadevergoeding van de ACM wegens een fout in het Tarievenbesluit 2024, waarbij de maximale vaste warmtetarieven te hoog waren vastgesteld. De ACM erkent de fout en het onrechtmatig handelen. Eneco stelt dat zij hierdoor haar tarieven moest aanpassen en daardoor inkomstenschade leed.

De rechtbank overweegt dat het onrechtmatig handelen van de ACM vaststaat en dat Eneco voldoende heeft gesteld dat zij bij een correct besluit hogere variabele tarieven zou hebben gehanteerd, wat tot meer inkomsten had geleid. De ACM betwist het causaal verband en voert aan dat Eneco haar schade had kunnen beperken door de variabele tarieven per 1 september 2024 te verhogen.

De rechtbank beveelt Eneco om nadere stukken te overleggen ter onderbouwing van haar schade en het beoogde bedrijfsresultaat. Tevens wordt de zaak aangehouden voor verdere behandeling na uitwisseling van deze stukken. De rechtbank wijst erop dat de lopende bestuursrechtelijke procedure bij het CBb geen reden is om de civiele procedure aan te houden.

Uitkomst: De rechtbank erkent de onrechtmatigheid van ACM en houdt de zaak aan voor nadere stukken over de schadeberekening.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/686638 / HA ZA 25-526
Vonnis van 8 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.. ENECO B.V., te Rotterdam,2. ENECO WARTME & KOUDE LEVERINGSBEDRIJF B.V., te Rotterdam,

eisers,
hierna samen te noemen: Eneco,
advocaten: mr. R.T. Wiegerink en mr. Th.D. van der Sanden, te Den Haag,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, in het bijzonder de Autoriteit Consument & Markt), te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de ACM,
advocaten: mr. W.I. Wisman en mr. M.T. Beumers, te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van Eneco van 11 juni 2025, met producties 1 tot en met 13,
- de conclusie van antwoord van de ACM van 1 oktober 2025, met producties 1 tot en met 9,
- het tussenvonnis van 17 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties tevens houdende een wijziging van eis van Eneco, met producties 14 tot en met 16;
- de akte overlegging producties van de ACM, met productie 10.
1.2.
Op 5 maart 2026 is een mondelinge behandeling gehouden. De advocaten van de ACM hebben het standpunt van de ACM toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die ter zitting zijn overhandigd en aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder naar voren is gebracht en is besproken. De aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd.

2.De feiten

2.1.
Eneco is een warmteleverancier en levert warmte aan verbruikers die aan haar warmtenet zijn aangesloten. De warmtelevering via warmtenetten wordt gereguleerd door de Warmtewet. De Warmtewet richt zich op de bevordering van betrouwbare en betaalbare warmtelevering aan alle verbruikers. In Nederland beschikken de warmteleveranciers over een monopolie op de levering van warmte aan de op hun warmtenet aangesloten kleinverbruikers (individuele gebruikers met een aansluiting tot en met 100 kW). Bovendien is er vaak één partij die de hele keten van warmteproductie- en levering in handen heeft. Ter bescherming van de kleinverbruikers voorziet de Warmtewet daarom in tariefregulering door de ACM. Die worden beschermd door een wettelijk maximumtarief dat gebaseerd is op gas als energiebron. Op basis van het zogenaamde niet-meer-dan-anders-principe (afgekort het NMDA-principe) mag het maximumleveringstarief voor warmte niet hoger zijn dan de kosten die een gemiddelde verbruiker zou maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij gebruik van gas als energiebron.
2.2.
De hoogte van de maximumtarieven is afhankelijk van het type warmte. De wet maakt onderscheid in warmte die:
a. a) direct geschikt is voor ruimteverwarming en warm tapwater;
b) uitsluitend direct geschikt is voor ruimteverwarming;
c) niet direct geschikt is voor ruimteverwarming en warm tapwater; en
d) uitsluitend direct geschikt is voor warm tapwater.
(opmerking rechtbank: deze categorieën worden hierna afgekort ook aangeduid als categorie a, b, c en d).
2.3.
Bij het bepalen van het maximale leveringstarief maakt de ACM ook een onderscheid tussen het gebruiksonafhankelijk tarief (ook wel vast tarief genoemd) en het gebruiksafhankelijk tarief (ook wel variabel tarief genoemd). Voor het gebruiksafhankelijk deel betaalt de verbruiker per verbruikte Gigajoule (GJ) een bepaalde prijs.
2.4.
Naast het NMDA-principe heeft de wetgever een ander reguleringsmechanisme opgenomen in de Warmtewet om te voorkomen dat warmteleveranciers misbruik kunnen maken van hun monopoliepositie. Daarbij wordt er gekeken naar het rendement dat een warmteleverancier over een jaar heeft behaald. Indien dit rendement hoger is dat het door de ACM vastgestelde redelijk rendement, dan wordt dit verdisconteerd in de toekomstig tarieven van een leverancier (de rendementstoets). Daarbij brengt de ACM elke twee jaar een verslag uit aan de Minister van Economische zaken en Klimaat over de hoogte van de door de leveranciers behaalde rendementen (de rendementsmonitor).
2.5.
De ACM heeft bij besluit van 30 november 2023 de maximumleveringstarieven voor de levering van warmte voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld (hierna: ‘het Tarievenbesluit’). In dit besluit heeft de ACM de maximum warmteleveringstarieven per 1 januari 2024, voor zover van belang, als volgt vastgesteld:
  • het maximale
  • het maximale
  • het maximale
2.6.
Eneco heeft vervolgens zelf haar tarieven voor 2024 vastgesteld en aan haar afnemers gecommuniceerd. Eneco heeft de volgende tarieven vastgesteld:
  • vast tariefwarmte voor zowel ruimteverwarming als tapwater (categorie a):
    € 501,42per jaar (exclusief btw), dus € 10,- lager dan het ACM-maximum;
  • vast tariefwarmte voor alleen ruimteverwarming of alleen tapwater (categorie b en d):
    € 255,71per jaar (exclusief btw), dus gelijk aan het ACM-maximum;
  • variabele tarievenvoor alle categorieën warmteleveringen:
    € 37,04(excl. btw) per GJ, dus € 1,55,- (exclusief btw) onder het maximumtarief van de ACM.
2.7.
De ACM heeft op 27 juni 2024 een herstelbesluit genomen (hierna: het Herstelbesluit), waarin onder meer de maximumtarieven voor warmtelevering per 1 januari 2024 met terugwerkende kracht zijn gewijzigd. De directe aanleiding voor het nemen van het Herstelbesluit was een in de loop van 2024 ontdekte invoerfout, die ertoe had geleid dat het maximale vaste tarief te hoog was vastgesteld. De invoerfout kwam kort samengevat op het volgende neer. De ACM stelt het maximale vaste tarief voor de warmtelevering onder meer vast op basis van het verschil in gebruikskosten tussen gebruik van warmte en gebruik van gas. Daarbij kijkt de ACM ook naar de gemiddelde onderhoudskosten van een Cv-ketel, die de warmtegebruiker zich bespaart. Bij het bepalen van die gemiddelde onderhoudskosten had de ACM per ongeluk een referentiepunt (een uitschieter met een hoog bedrag) meegenomen dat zij niet had mogen meenemen, omdat dit onvoldoende betrouwbaar was bevonden. Daarnaast was er nog een andere (beperktere) invoerfout. De ACM had de gemiddelde jaarlijkse vaste kosten van het transport, de levering en de aansluiting van gas juist iets te laag vastgesteld, doordat - kort gezegd - een invoerbedrag uit 2023 in plaats van 2024 was overgenomen. Als gevolg van de invoerfouten waren de maximale vaste tarieven voor de categorieën a, b en d in het Tarievenbesluit te hoog vastgesteld, namelijk € 29,75 te hoog voor categorie a en € 14,87 te hoog voor categorie b en d. De ACM heeft daarom de maximumtarieven voor het jaar 2024 in het Herstelbesluit met terugwerkende kracht per 1 januari 2024 als volgt vastgesteld:
  • het maximale
  • het maximale
2.8.
Bij de publicatie van het Herstelbesluit heeft de ACM medegedeeld dat warmteleveranciers zelf mogen bepalen hoe zij het nieuwe tarief in de rekening verwerken, zolang de warmteverbruiker in 2024 niet meer dan het nieuwe maximumtarief betaalt.
2.9.
Naar aanleiding van het Herstelbesluit heeft Eneco haar vaste tarieven voor categorie a, b en d met terugwerkende kracht per 1 januari 2024 naar beneden gebracht en (nagenoeg conform) vastgesteld op het aangepaste maximumtarief van de ACM. Dat komt neer op:
  • het maximale
  • het maximale
De vaste tarieven van Eneco waren hiermee respectievelijk € 19,75 (voor categorie a) en
€ 14,88 (voor categorie b en d) lager dan de tarieven die Eneco eerder had vastgesteld en aan haar afnemers had gecommuniceerd. Eneco heeft haar variabele tarieven voor 2024 niet verhoogd, ook niet na 1 september 2024.
2.10.
Eneco heeft bezwaar gemaakt tegen het Herstelbesluit. De ACM heeft het bezwaar op 13 januari 2025 ongegrond verklaard. Eneco heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). De ACM heeft op 22 juli 2025 een verweerschrift ingediend. Het CBb moet nog een mondelinge behandeling bepalen in de beroepsprocedure. Naar verwachting van partijen zal die mondelinge behandeling niet vóór 2027 worden ingepland.
2.11.
Eneco heeft de ACM schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden
(dispositie)schade en de ACM gesommeerd die schade te vergoeden. De ACM heeft aan Eneco te kennen gegeven dat zij hangende de beroepsprocedure bij het CBb geen aanleiding ziet om tot vergoeding van schade over te gaan.

3.Het geschil

3.1.
Eneco vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
voor recht verklaart dat de ACM aansprakelijk is voor de (dispositie)schade die Eneco heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de ACM;
de ACM veroordeelt tot vergoeding van de door de Eneco geleden (dispositie)schade, binnen twee weken na (betekening van) datum vonnis, te weten:
-
primair: een bedrag van € 2.836.441,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2024,
-
subsidiair: een bedrag van € 919.080,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2024,
3. de ACM veroordeelt tot betaling van € 16.176,- aan door Eneco gemaakte kosten die samenhangen met uitgevoerde herstelacties als gevolg van de tariefherziening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2024, althans 14 (veertien) dagen na 9 april 2025,
4. de ACM veroordeelt tot betaling van EUR 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis;
5. de ACM veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis.
3.2.
De vordering van Eneco is gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Eneco voert ter onderbouwing van haar vorderingen het volgende aan. De ACM heeft met het – naar achteraf blijkt onjuiste – Tarievenbesluit en het daarmee samenhangende Herstelbesluit, alsmede de tijdstippen waarop deze besluiten zijn genomen, onrechtmatig jegens Eneco gehandeld. Eneco heeft hierdoor schade geleden. Eneco heeft eind 2023 met inachtneming van een door haar beoogd – en door de ACM in het licht van het door haar vastgestelde maximumrendement toelaatbaar geacht – jaarlijks bedrijfsresultaat en het Tarievenbesluit haar tarieven voor 2024 vastgesteld. Op het tijdstip van het Herstelbesluit werd deze tariefstelling reeds geruime tijd toegepast en was deze ook contractueel vastgelegd met de afnemers van warmte. Door het Herstelbesluit heeft Eneco haar vaste maximumtarieven met terugwerkende kracht naar beneden moeten bijstellen. Eneco kon toen vanwege contractuele afspraken, het toepasselijke consumentenrecht en het in dit verband toepasselijke beleid van de ACM dat nadeel niet compenseren door de variabele tarieven te verhogen. De schade hiervan bedraag ongeveer 2,9 miljoen aan gederfd bedrijfsresultaat. Daarnaast heeft Eneco € 16.176,- aan (interne) kosten moeten maken die samenhangen met uitgevoerde herstelacties als gevolg van de tariefherziening.
3.3.
De ACM voert verweer. De ACM concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Eneco, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Eneco, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Eneco in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De ACM heeft met het Tarievenbesluit onrechtmatig gehandeld
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ACM een fout heeft gemaakt bij het vaststellen van de maximale vaste tarieven in het Tarievenbesluit. Hierdoor zijn de vaste tarieven voor de categorieën a, b en d destijds op een onjuist en te hoog bedrag vastgesteld. De ACM heeft erkend dat het Tarievenbesluit hiermee onrechtmatig is.
4.2.
Eneco heeft in de dagvaarding niet alleen het onjuiste Tarievenbesluit als grondslag voor haar vordering genoemd. Eneco stelt in de dagvaarding dat de ACM onrechtmatig jegens Eneco heeft gehandeld met het onjuiste Tarievenbesluit én het daarmee samenhangende Herstelbesluit, alsook de tijdstippen waarop de besluiten zijn genomen. Uit de toelichting van Eneco ter zitting volgt echter dat zij haar vordering niet op de onrechtmatigheid van het Herstelbesluit of op de tijdstippen van de besluiten baseert. De basis onder de schadevergoedingsvordering van Eneco is dat de ACM eind 2023 in het Tarievenbesluit een fout heeft gemaakt bij de vaststelling van de maximale vaste tarieven, waarop Eneco vervolgens heeft geacteerd bij de vaststelling van haar prijzen. Eneco neemt dat moment eind 2023 ook als uitgangspunt voor de berekening van de door haar gestelde schade (zie ook hierna). Eneco baseert zich voor de berekening van haar schade niet op fouten in het Herstelbesluit. Weliswaar stelt Eneco dat de ACM onvoldoende zorgvuldig is geweest door de fout pas in een laat stadium te ontdekken en Eneco pas heel kort vóór het nemen van het Herstelbesluit hiervan op de hoogte te stellen, maar de door Eneco in deze procedure gevorderde schade vloeit niet uit die gestelde onzorgvuldigheden voort. De grondslag daarvan vormen de fouten in het eerdere Tarievenbesluit.
Het lopende beroep bij het CBb is geen grond voor aanhouding van deze procedure
4.3.
Weliswaar is het Herstelbesluit vanwege de lopende beroepsprocedure bij het CBb op dit moment nog niet onherroepelijk, maar dat staat er niet aan in de weg dat de rechtbank in deze procedure nu al tot beoordeling van de schadevergoedingsvordering van Eneco overgaat. Volgens vaste rechtspraak (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1700 (Smit/Staat)) moet de burgerlijke rechter hangende een bestuursrechtelijke procedure tegen een besluit, uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit, zolang dat nog niet is vernietigd. Dat geldt hier dus ook voor het Herstelbesluit. Uit deze rechtspraak volgt ook dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging kunnen meebrengen dat de burgerlijke rechter zijn uitspraak aanhoudt totdat een onherroepelijke beslissing over het besluit is verkregen. Daarvoor bestaat met name grond als te verwachten valt dat het besluit in de bestuursrechtelijke rechtsgang zal worden vernietigd en daarmee gevolgen zal hebben voor de civielrechtelijke procedure. Dat is hier – naar is gesteld of gebleken – niet het geval. In die zin, dat de gronden zoals aangevoerd door Eneco enkel zien op de wijze van totstandkoming van het besluit en niet op de inhoud van het besluit. Tussen partijen is niet in geschil dat de ACM een invoerfout heeft gemaakt bij het vaststellen van het Tarievenbesluit, dat de ACM die fout mocht herstellen, en dat de ACM dat in het Herstelbesluit op zichzelf – rekenkundig – op juiste wijze heeft gedaan. Het is dan ook niet de verwachting dat de bestuursrechtelijke rechtsgang ertoe zal leiden dat de correctie van de tarieven in het Tarievenbesluit ongedaan wordt gemaakt of wordt aangepast (hetzij omhoog, hetzij verder omlaag). Ook zijn partijen het erover eens dat Eneco bestuursrechtelijk geen mogelijkheden heeft om haar schade, waarvan zij in deze procedure vergoeding vordert, te verhalen of te laten compenseren. Het ligt, anders gezegd, niet in de lijn der verwachting dat de bestuursrechtelijke rechtsgang tot een uitkomst zal leiden die van invloed kan zijn op de schadevergoedingsvordering die in deze procedure ter beoordeling voorligt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om met het wijzen van een eindvonnis in deze procedure te wachten totdat het beroep bij het CBb over het Herstelbesluit is afgerond. Uit het arrest Smit/Staat volgt dat de burgerlijke rechter in dat geval ook uitspraak kan doen, onder de ontbindende voorwaarde van de uitkomst in de beroepsprocedure. De rechtbank zal die optie toepassen, voor zover (een deel van) de vordering van Eneco in het eindvonnis toewijsbaar wordt geacht en de beroepsprocedure bij het CBb dan nog steeds loopt.
Het geschil ten aanzien van het causaal verband en de gevorderde schade
4.4.
Eneco vordert in deze procedure primair een bedrag van € 2.836.441,- aan gederfde winst. Eneco stelt dat dit schade is die het gevolg is van de fouten in het Tarievenbesluit. De ACM betwist het causaal verband tussen de gestelde schade en de fouten.
4.5.
Om te bepalen of causaal (condicio-sine-qua-non) verband bestaat tussen het onrechtmatige Tarievenbesluit en de door Eneco gestelde schade moet de vraag worden gesteld of Eneco de schade ook zou hebben geleden als er geen onrechtmatig besluit was genomen. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen (i) de situatie waarin Eneco in werkelijkheid is komen te verkeren en (ii) de hypothetische situatie waarin Eneco zou hebben verkeerd als de onrechtmatige gedraging (de invoerfout en de daaruit voortvloeiende onjuiste maximale tariefvaststelling) achterwege was gebleven.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ACM in de onder (ii) genoemde hypothetische situatie (zonder invoerfout) eind 2013 in het Tarievenbesluit gelijk de juiste maxima voor de vaste tarieven had vastgesteld, dat wil zeggen een maximum vast tarief van € 481,67 (exclusief btw) voor categorie a en een maximum vast tarief van € 240,84 (exclusief btw) voor categorie b en d. De kern van het partijgeschil betreft de vervolgvraag die dan moet worden beantwoord, namelijk of Eneco in dat geval ook (een deel van de) inkomsten had gemist, die Eneco nu van de ACM vordert.
4.7.
Uit de stellingen van Eneco volgt dat de hypothetische situatie voor een groot deel gelijk zou zijn aan de situatie waarin Eneco nu verkeert. Eneco heeft in werkelijkheid door de fout in het Tarievenbesluit de vaste tarieven voor categorie a, c en d voor 2024 met terugwerkende kracht moeten vaststellen op de hiervoor genoemde ACM-maxima (met het minieme verschil dat het vaste tarief voor categorie b en d kennelijk op € 240,83 is vastgesteld in plaats van het maximum € 240,84). Eneco stelt dat zij ook bij een juist Tarievenbesluit, de vaste tarieven eind 2023 al op diezelfde maximale ACM-tarieven had vastgesteld. Het verschil zit in het variabele tarief. Eneco heeft dat variabele tarief, met inachtneming van het (foutieve) Tarievenbesluit, eind 2023 voor het jaar 2024 vastgesteld op € 37,04 (exclusief btw) per GJ. Eneco stelt dat zij, als zij eind 2023 bekend was geweest met de juiste (lagere) maxima voor de vaste tarieven, dit variabele tarief op een hoger bedrag zou hebben vastgesteld, namelijk € 37,98 (exclusief btw) per GJ. Dit heeft Eneco als volgt toegelicht:
- Eneco heeft eind 2023 met inachtneming van een door haar beoogd – en door de ACM in het licht van het door haar vastgestelde maximumrendement (ruimschoots) toelaatbaar geacht – (jaarlijks) bedrijfsresultaat en het Tarievenbesluit haar vaste en variabelen leveringstarieven vastgesteld.
- Het beoogde bedrijfsresultaat is het gevolg van een afweging die van te voren wordt gemaakt, op basis van verschillende factoren. Deze factoren betreffen bijvoorbeeld de meerjarenbegroting, eerdere klanttarieven, andere partijen waar Eneco afspraken mee heeft gemaakt en projecten die Eneco aan het ontwikkelen is. Het bestuur geeft vervolgens een bedrag voor het gewenste bedrijfsresultaat met een bepaalde marge, waarbinnen de tarieven kunnen worden vastgesteld. Dit gebeurde half november 2023.
- Dhr. [naam] (head of customer van Eneco Warmte en Koude, hierna afgekort: ‘ [naam] ’) heeft toegelicht dat de tariefvaststelling is gebaseerd op concrete berekeningen, waarbij verschillende combinaties van vastrecht en variabel tarief zijn doorgerekend (prijs x volume, p x q). Een belangrijk uitgangspunt daarbij was om het vastrecht niet te veel te laten afwijken van de tarieven uit 2023, omdat abrupte stijgingen als ongewenst worden beschouwd door afnemers en belangrijke stakeholders, zoals gemeenten en woningcorporaties. Hierdoor werd de ruimte om het variabele tarief te laten stijgen beperkt.
- Volgens [naam] zou hij – als in december 2023 bekend was geweest dat het ACM-maximum lager zou uitvallen – hebben voorgesteld om het variabele tarief op een hoger bedrag vast te stellen, omdat het vaste tarief dan lager zou zijn geweest dan de nu gekozen € 501,42 per jaar (exclusief btw) en er dus minder inkomstenruimte zou zijn geweest. Volgens [naam] zou hij dan een variabel tarief van € 37,98 (exclusief btw) per GJ hebben voorgesteld, omdat dan een vergelijkbaar bedrijfsresultaat zou zijn behaald, en het variabele tarief (inclusief btw) onder de psychologische grens van € 46,- zou zijn gebleven én lager zou zijn dan het variabele tarief van 2023.
Aldus, kort samengevat, de stellingen van Eneco.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Eneco op zichzelf voldoende concreet en gemotiveerd gesteld dat zij bij een juist Tarievenbesluit het variabele tarief had verhoogd en in die situatie meer inkomsten had gehad, dan zij nu over 2024 heeft ontvangen. Echter: de ACM voert terecht aan dat, zonder concrete onderbouwing over bijvoorbeeld het boogde bedrijfsresultaat, voor de ACM – en ook voor de rechtbank – lastig valt te toetsen of en zo ja, met welk bedrag Eneco haar variabele tarieven bij een juist besluit zou hebben verhoogd.
4.9.
Eneco heeft ter zitting verklaard dat zij stukken heeft waaruit de door Eneco doorgerekende scenario’s en de impact van die scenario’s op het beoogde bedrijfsresultaat blijken. Eneco heeft aangeboden die stukken te overleggen, waarbij ook is toegelicht dat die stukken wel bedrijfsgevoelige informatie bevatten.
4.10.
Op grond van artikel 22, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen bevelen om bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. De rechtbank zal Eneco met gebruikmaking van deze bevoegdheid bevelen om de door haar genoemde stukken in het geding te brengen, waaruit de doorgerekende scenario’s en het door Eneco beoogde bedrijfsresultaat voor 2024 blijken. Deze stukken zijn immers van belang om een voldoende geïnformeerd debat te kunnen voeren over de tariefstelling die Eneco bij een juist tarievenbesluit waarschijnlijk zou hebben gehanteerd. Eneco kan de stukken bij een nadere akte overleggen, voorzien van een korte toelichting. Die stukken dienen alleen te worden ingezien door de direct betrokkenen van de ACM. Indien Eneco van mening is dat vanwege de bedrijfsgevoeligheid verdere beperkingen moeten worden gesteld aan de personen die de stukken mogen inzien – of dat alleen de advocaten van de ACM die zouden mogen inzien (artikel 22a lid 3 a Rv) – dan moet Eneco motiveren waarom die beperkingen in dit geval noodzakelijk en evenredig zijn. Bij bezwaar van de kant van de ACM zal de rechtbank daarop beslissen.
4.11.
Daarnaast geldt het volgende. Uit productie 13 bij dagvaarding volgt dat Eneco het gevorderde schadebedrag van € 2.836.441,- heeft berekend door het verschil in het vaste tarief tussen het oorspronkelijk vaststelde tarief en het na het Herstelbesluit met terugwerkende kracht bijgestelde tarief (wat heeft geleid tot een bijstelling van € 19,75 voor categorie a en € 14,88 voor categorie b en d) te vermenigvuldigen met het aantal afnemers voor wie die tariefverlaging in 2024 van toepassing was. Hiervoor is al overwogen dat uit de stellingen van Eneco volgt dat zij de vaste tarieven ook bij een juist Tarievenbesluit op de ACM-maxima zouden hebben vastgesteld, zodat daarin geen verschil zit. Het verschil tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie betreft het variabele tarief voor 2024, dat volgens Eneco bij een juist besluit € 0,94 hoger zou zijn geweest (€ 37,98 exclusief btw in plaats van € 37,04 exclusief btw). Voor een juiste berekening van de schade is het dus van belang om te weten wat het daadwerkelijke verbruik over 2024 is geweest, waarover Eneco die extra inkomsten van € 0,94 per GJ had kunnen genieten (verondersteld dat aannemelijk wordt gemaakt dat Eneco haar variabele tarieven inderdaad (met dit bedrag) had verhoogd). De gegevens over het daadwerkelijke verbruik over 2024 (in GJ) zijn bij Eneco bekend. De rechtbank zal Eneco opdragen om in de te nemen akte inzichtelijk te maken te maken wat de totale verbruiksgegevens over 2024 zijn en dit ook (voor zover mogelijk) te onderbouwen met stukken.
Eigen schuld Eneco (artikel 6:101 BW Pro), schending schadebeperkingsplicht
4.12.
De ACM heeft een beroep gedaan op vermindering van haar vergoedingsplicht, omdat Eneco niet aan haar schadebeperkingsverplichting heeft voldaan. Ook als Eneco door de fout in het Tarievenbesluit inkomstenschade heeft geleden (wat de ACM primair betwist), dan had Eneco een groot deel van die schade kunnen beperken door met ingang van 1 september 2024 haar variabele tarieven te verhogen van € 37,04 (exclusief btw) naar het maximaal toelaatbare tarief van € 38,59 (exclusief btw). Het deel van de schade dat Eneco op die manier had kunnen compenseren, moet voor eigen rekening van Eneco komen, aldus de ACM. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.
4.13.
In geval van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, is de benadeelde gehouden om de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijze van hem kan worden verlangd. Indien hij daaraan niet voldoet kan dit tot gevolg hebben dat de vergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW Pro wordt verminderd.
4.14.
De ACM heeft gesteld dat Eneco op grond van artikel 23 van Pro haar Algemene Voorwaarden juridisch de ruimte had om de variabele tarieven met ingang van 1 september 2024 maximaal te verhogen. Ook het consumentenrecht staat daar volgens de ACM niet aan in de weg, aangezien een eenzijdig wijzigingsbeding in beginsel toelaatbaar is, mits dit voldoet aan de eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie. [1] Dat een eenzijdige wijziging mogelijk is, volgt ook uit artikel 2 lid 5 van Pro de Warmtewet, aldus de ACM.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat Eneco tegenover deze stellingen van de ACM niet (voldoende) heeft gemotiveerd waarom het in dit geval juridisch niet mogelijk was om haar tarieven met ingang van 1 september 2024 voor de rest van het jaar met € 1,55 (exclusief btw) te verhogen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat dit op grond van de contractvoorwaarden en de wet kon. De rechtbank gaat ook niet mee in het betoog van Eneco dat zij haar prijzen niet kon verhogen, omdat zij op grond van het beleid van de ACM duidelijk en transparant richting haar afnemers moet zijn over de te hanteren prijzen. Niet valt in te zien waarom die transparantie-eis eraan in de weg staat dat Eneco in dit specifieke geval, waarin Eneco als gevolg van een niet voor Eneco te voorziene fout van de ACM van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan bij haar tariefstelling, af mocht wijken van de hoofdregel en haar tarieven – bij wijze van uitzondering – voor de laatste paar maanden zou verhogen. Dit te meer, nu de ACM de warmteleveranciers die ruimte nadrukkelijk heeft geboden. Bij de publicatie van het Herstelbesluit heeft de ACM gemeld dat de warmteleveranciers zelf kunnen bepalen hoe zij het nieuwe tarief in de rekening verwerken, zolang de warmtegebruiker over 2024 maar niet meer betaalt dan het nieuwe maximumtarief. Niet valt in te zien dat Eneco onder deze omstandigheden het risico zou lopen dat haar in rechte zou worden verweten dat zij misbruik van haar machtspositie maakt, door de variabele tarieven met ingang van 1 september 2024 tussentijds te verhogen. De ACM heeft in dat verband ook erop gewezen dat een andere warmteleverancier (Ennatuurlijk B.V.) haar warmtetarieven naar aanleiding van het Herstelbesluit wél per 1 september 2024 heeft verhoogd, van € 37,79 (exclusief btw) naar € 38,59 (exclusief btw). Het is gesteld noch gebleken dat die verhoging in rechte op (juridische) bezwaren is gestuit.
4.16.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank niet mee in het betoog van Eneco dat niet in redelijkheid van haar mocht worden verwacht dat zij haar variabele tarieven met ingang van 1 september 2024 tussentijds verhoogde. Dit neemt niet weg dat de rechtbank het op zichzelf begrijpelijk acht indien Eneco in dit geval om allerlei andere (commerciële) redenen de keuze heeft gemaakt om geen tariefverhoging per 1 september 2024 door te voeren. De rechtbank is het echter met de ACM eens dat die bedrijfsmatige keuze voor rekening en risico van Eneco komt. Het is niet redelijk indien Eneco de financiële consequenties van die bedrijfsmatige keuze op de ACM zou kunnen afwentelen.
4.17.
Eneco heeft onweersproken gesteld dat als zij haar variabele tarieven per 1 september 2024 naar het maximaal toegestane ACM-tarief zou hebben verhoogd, Eneco dan een bedrag van 1.237.007 GJ x € 1,55 = € 1.917.360,42 (exclusief btw) aan extra inkomsten zou hebben kunnen genereren. De rechtbank is met de ACM van oordeel dat als in het eindvonnis komt vast te staan dat Eneco schade heeft geleden (omdat zij haar variabele tarieven bij een juist Tarievenbesluit eind 2023 op een hoger bedrag dan € 37,04 zou hebben vastgesteld), de vergoedingsplicht van de ACM op grond van artikel 6:101 lid 1 BW Pro met dit bedrag van € 1.917.360,42 (exclusief btw) moet worden verminderd.
De verdere procedure
4.18.
De rechtbank zal de zaak naar de rol van 29 april 2026 verwijzen voor het indienen van de akte van Eneco met de nadere informatie, zoals gevraagd in r.o. 4.10 en 4.11. De ACM kan daar vervolgens bij antwoordakte, te nemen op 20 mei 2026, op reageren.
4.19.
De rechtbank geeft partijen hierbij in overweging om, naar aanleiding van dit vonnis en de nader door Eneco te verstrekken informatie, nogmaals te bekijken of er mogelijkheden voor een minnelijke regeling bestaan.
4.20.
Iedere verdere beslissing wordt in afwachting van de nadere aktewisseling aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 april 2026 voor het nemen van een akte door Eneco over wat is vermeld onder r.o. 4.10 en 4.11; de ACM kan daar vervolgens bij antwoordakte van 20 mei 2026 op reageren;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Type: 2431

Voetnoten

1.De ACM wijst op HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 (