ECLI:NL:RBDHA:2026:888

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11936861 \ RP VERZ 25-50871
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding bij opzegging arbeidsovereenkomst zonder inachtneming opzegtermijn

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een vennootschap onder firma, hierna te noemen [verzoekende partij], en een werknemer, hierna te noemen [verwerende partij]. De werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder de wettelijke opzegtermijn van één maand in acht te nemen. De werkgever heeft daarop verzocht om de werknemer te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van één bruto maandsalaris, alsook tot het teruggeven van bedrijfseigendommen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werknemer inderdaad de opzegtermijn niet heeft gerespecteerd en dat de werkgever recht heeft op schadevergoeding. De kantonrechter heeft de werknemer veroordeeld tot betaling van € 2.749,44, het bruto maandsalaris, en tot het teruggeven van de bedrijfstelefoon en werkkleding. Tevens zijn de proceskosten voor rekening van de werknemer gekomen, omdat hij ongelijk heeft gekregen in deze procedure. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
esp/b/c
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 11936861 \ RP VERZ 25-50871
Beschikking van 15 januari 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma [verzoekende partij] V.O.F.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. M. van der Chijs,
tegen
[verwerende partij],
wonende te Delft,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om de werknemer te veroordeling een maandsalaris te betalen omdat de werknemer de arbeiddsovereenkomst met directe ingang heeft opgezegd. De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat de werknemer bij opzegging rekening had moeten houden met een opzegtermijn van één maand. Omdat de werknemer dat niet heeft gedaan, heeft de werkgever recht op schadevergoeding ter hoogte van één bruto maandsalaris.

1.De procedure

1.1.
[verzoekende partij] heeft een verzoek (bij verzoekschrift op de griffie binnengekomen op 21 oktober 2025) gedaan om [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bruto maandsalaris. Daarnaast heeft [verzoekende partij] gevraagd om [verwerende partij] te veroordelen bedrijfseigendommen terug te geven en een vervangende schadevergoeding vast te stellen als die niet op tijd worden teruggegeven. [verwerende partij] heeft een verweerschrift (op de griffie binnengekomen op 10 december 2025) ingediend.
1.2.
Op 17 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekende partij] is [naam] , vennoot, (hierna: [naam] ) verschenen met de hiervoor genoemde gemachtigde. [verwerende partij] heeft bericht niet bij de zitting te kunnen zijn in verband met zijn werk in het buitenland. [verzoekende partij] heeft een exploot van 19 november 2025 overgelegd waarmee haar verzoekschrift en de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling aan [verwerende partij] zijn betekend. Omdat [verzoekende partij] nog geen kennis had genomen van het door de griffie doorgezonden verweerschrift van [verwerende partij] , is de zitting kort geschorst voor een leespauze. Na hervatting van de zitting zijn namens [verzoekende partij] standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Daarna is beschikking bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[verwerende partij] , geboren [geboortedatum] 1982, was sinds 1 april 2025 in dienst bij [verzoekende partij] . De functie van [verwerende partij] was sloper met een loon van € 2.749,44 bruto per maand. Op deze overeenkomst is de cao Bouw & Infra van toepassing.
2.2.
Op 23 augustus 2025 heeft [verwerende partij] aan [naam] het volgende Whatsappbericht gezonden:
“Heb jou gebeld maar je nam niet op maar bij deze ben druk en ik kom niet meer maar bel jou zodra ik tijd heb ben bezig nou”
2.3.
Bij aangetekend verzonden brief van 8 september 2025 heeft [verzoekende partij] [verwerende partij] – onder meer – het volgende geschreven:
“Uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan van 1 april 2025 t/m 31 maart 2026. U heeft echter op 25 augustus 2025 via een Whats app bericht laten weten dat u per direct uw werkzaamheden niet meer zult uitvoeren. U heeft hierbij geen opzegtermijn in acht genomen. De kosten voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn bedragen € 2.749,44.
Hierbij laat ik u weten dat uw arbeidsovereenkomst op uw verzoek wordt beëindigd per 25 augustus 2025.
U dient alle in het bezit zijnde bedrijfseigendommen, zoals werkkleding en mobiele telefoon, zo snel mogelijk in te leveren. Indien deze op 11 september 2025 niet bij ondergetekende ingeleverd zijn zullen er kosten zijnde €200,- voor de mobiele telefoon en €200,- voor de werkkleding, bij u in rekening worden gebracht.
(…)”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bruto maandsalaris wegens het bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet in acht nemen van de wettelijke en in de cao genoemde opzegtermijn. Daarnaast heeft [verzoekende partij] gevraagd om [verwerende partij] te veroordelen bedrijfseigendommen terug te geven en een vervangende schadevergoeding vast te stellen als die niet op tijd worden teruggegeven.
[verzoekende partij] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verwerende partij] op 23 augustus 2025 eenzijdig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder daarbij de op grond van de arbeidsovereenkomst en toepasselijke cao geldende opzegtermijn van één maand in acht te nemen. Op grond van artikel 7:672 lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet [verwerende partij] daarom een vergoeding gelijk aan één bruto maandsalaris aan [verzoekende partij] betalen. De bedrijfstelefoon en bedrijfskleding die [verzoekende partij] aan [verwerende partij] ter beschikking heeft gesteld, moet [verwerende partij] aan [verzoekende partij] teruggeven.
3.2.
[verwerende partij] verweert zich tegen het verzoek. [verwerende partij] voert aan – samengevat – dat hij op 1 april 2025 bij [verzoekende partij] in dienst is getreden maar dat hij geen schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft ondertekend of gezien. [verwerende partij] had een soort spaarpotje bij [verzoekende partij] maar daar is nooit geld ingestort. [verzoekende partij] heeft hem – ondanks dat hij daarom vroeg – niet de certificaten gegeven voor de cursussen VGA en asbest waarvoor hij was geslaagd. [verwerende partij] weet zeker dat hij onderbetaald is. Hij werd contant betaald en in de week van 12 augustus is hij niet betaald. [verwerende partij] was er toen klaar mee, hij is opgestapt en heeft [verzoekende partij] laten weten niet meer terug te komen.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat [verwerende partij] op 1 april 2025 bij [verzoekende partij] in dienst is gekomen en dat deze arbeidsovereenkomst door [verwerende partij] per direct is beëindigd per 23 augustus 2025 zonder dat [verzoekende partij] daarmee heeft ingestemd. [verwerende partij] is daarna niet meer op het werk verschenen en uit zijn verweerschrift blijkt dat het ook zijn bedoeling was om niet meer voor [verzoekende partij] te werken en dat hij inmiddels ergens anders werk heeft gevonden. In de brief die [verzoekende partij] [verwerende partij] na de beëindiging heeft gestuurd (hiervoor onder 2.3 geciteerd) zijn de gevolgen die [verzoekende partij] aan deze opzegging verbindt aan [verwerende partij] duidelijk gemaakt. Uit niets (ook zijn verweerschrift niet) blijkt dat [verwerende partij] op zijn besluit wilde terugkomen. Gelet op het voorgaande overweegt de kantonrechter dat [verwerende partij] duidelijk was welke gevolgen zijn opzegging had.
opzegtermijn
4.2.
Uitgangspunt is dat bij opzegging van een arbeidsovereenkomst de werkgever en de werknemer een opzegtermijn in acht moeten nemen. De is daarbij niet van belang of het om een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde duur gaat. Als er niet anders is bepaald of schriftelijk is overeengekomen, geldt de wettelijke opzegtermijn. De arbeidsovereenkomst moet in beginsel worden opgezegd tegen het einde van maand. Wanneer een partij opzegt tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt, moet deze partij een vergoeding betalen die gelijk is aan het bedrag van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had voortgeduurd. Op grond van artikel 7:672 lid 4 BW geldt voor de werknemer een wettelijke opzegtermijn van één maand ongeacht hoe lang de arbeidsovereenkomst heeft geduurd. Bij ontslag op staande voet hoeft geen opzegtermijn in acht te worden genomen.
4.3.
[verwerende partij] heeft [verzoekende partij] in zijn verweerschrift een aantal verwijten gemaakt zoals het niet afgeven van certificaten, niets storten in een spaarpot en onderbetaling. Dat hij naar aanleiding van deze verwijten de arbeidsovereenkomst op staande voet heeft beëindigd blijkt echter niet uit zijn opzegging. De verwijten – die door [verzoekende partij] gemotiveerd zijn betwist – zijn ook door [verwerende partij] helemaal niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat hij recht heeft op certificaten, dat geld had moeten worden gestort in een spaarpot of dat hem een ander, hoger loon had moeten worden betaald. Voor zover [verwerende partij] hiermee heeft bedoeld een beroep te doen op een ontslag op staande voet (waarvoor geen opzegtermijn) geldt, is hij daarin niet geslaagd.
4.4.
[verzoekende partij] verwijst voor de opzegtermijn die [verwerende partij] in acht had moeten nemen op de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst en artikel 1.6 van de cao Bouw en Infra waaruit volgt dat een opzegtermijn van een maand geldt. Volgens [verwerende partij] heeft hij de overgelegde arbeidsovereenkomst niet ondertekend. Dat zou inhouden dat hij geen overeenkomst voor bepaalde tijd had met [verzoekende partij] (zoals uit de door [verzoekende partij] overgelegde overeenkomst volgt) maar een overeenkomst voor onbepaalde tijd. In beide gevallen volgt uit de wet dat [verwerende partij] een opzegtermijn van één maand in acht diende te nemen. Die termijn is gelijk aan de termijn die volgens [verzoekende partij] volgt uit de toepasselijke cao Bouw en Infra. Omdat zowel uit de wet als uit de overeenkomst en cao waar [verzoekende partij] naar verwijst eenzelfde opzegtermijn volgt, kan in het midden blijven of [verwerende partij] zijn handtekening heeft gezet onder de overgelegde arbeidsovereenkomst. De uitkomst is immers in alle gevallen dat [verwerende partij] een opzegtermijn van één maand in acht had moeten nemen.
schadevergoeding voor opzeggen zonder opzegtermijn
4.5.
Gelet op het voorgaande is vast komen te staan dat [verwerende partij] heeft opgezegd zonder daarbij een opzegtermijn van één maand in acht te nemen. Zoals artikel 7:672 lid 11 BW bepaald is hij daarom aan [verzoekende partij] een bedrag gelijk aan het bruto loon over een maand verschuldigd. Door [verwerende partij] is niet betwist dat hij een bruto maandloon van € 2.749,44 ontving. Er is geen beroep gedaan op matiging en de kantonrechter ziet ook geen aanleiding tot matiging. De kantonrechter zal [verwerende partij] daarom zoals hierna vermeld veroordelen om aan [verzoekende partij] € 2.749,44 te betalen.
mobiele telefoon en werkkleding
4.6.
[verwerende partij] heeft niet betwist dat [verzoekende partij] hem een bedrijfstelefoon en werkkleding ter beschikking heeft gesteld en dat hij die nog niet heeft teruggeven. Ook heeft hij niet betwist dat de bedrijfstelefoon € 200,00 waard is en dat voor de bedrijfskleding hetzelfde geldt. [verzoekende partij] heeft niet gesteld dat er nog andere bedrijfseigendommen door [verwerende partij] moeten worden teruggegeven zodat de kantonrechter [verwerende partij] zal veroordelen de door [verzoekende partij] aan hem ter beschikking gestelde bedrijfstelefoon en werkkleding terug te geven. [verzoekende partij] heeft gevraagd om [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van vervangende schadevergoeding als de telefoon en kleding niet op tijd worden ingeleverd. [verwerende partij] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Deze vordering zal, zoals hierna vermeld, worden toegewezen Daarbij vindt de kantonrechter aanleiding de termijn op veertien dagen na aanschrijving te stellen.
proceskosten
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 813,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten). De kosten worden verhoogd met de kosten van betekening in het geval dat [verwerende partij] niet tijdig aan (een van) de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
4.8.
Zoals onweersproken is verzocht worden de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] te betalen een bedrag van € 2.749,44 bruto, als schadevergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
5.2.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe de door haar aan hem ter beschikking gestelde mobiele telefoon en bedrijfskleding terug te geven, met bepaling dat als [verwerende partij] dat niet binnen deze termijn heeft gedaan, deze veroordeling wordt omgezet in een veroordeling om aan [verzoekende partij] vervangende schadevergoeding te betalen van € 200,00 voor de mobiele telefoon en € 200,00 voor de bedrijfskleding;
5.3.
veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 813,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan (een van) de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart de hiervoor genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het anders of meer gevraagde.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.