ECLI:NL:RBDHA:2026:887

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/09/697047 / FA RK 26-11
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging en verplichte medicatie in het kader van geestelijke gezondheidszorg

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een zaak betreffende een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 2003. Betrokkene heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het ontvangen van zorg, maar wel tegen het toepassen van verplichte medicatie. De rechtbank oordeelt dat een zorgmachtiging noodzakelijk is vanwege het ernstig nadeel dat zich heeft voorgedaan, waaronder agressief gedrag en het risico op maatschappelijke teloorgang. De rechtbank wijst de verplichte toediening van medicatie af, omdat betrokkene momenteel het depot accepteert en voldoende tijd moet krijgen om met zijn ambulante behandelaar te overleggen over alternatieven. De rechtbank benadrukt het belang van de wensen en voorkeuren van betrokkene in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De beschikking is gegeven na een mondelinge behandeling waarin betrokkene en zijn advocaat zijn gehoord, evenals de arts van de afdeling. De rechtbank verleent de zorgmachtiging tot en met 15 juli 2026, met de mogelijkheid om de situatie opnieuw te beoordelen indien betrokkene zijn medewerking aan de behandeling weigert.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/697047 / FA RK 26-11
Datum beschikking: 15 januari 2026

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accomodatie] ,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 31 december 2025, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 30 december 2025 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 23 december 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 31 december 2025;
- een brief van de officier van justitie van 12 december 2025, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de arts van de afdeling, de heer [naam 2] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het ontvangen van zorg, maar wel tegen het toepassen van verplichte medicatie. Hij is ervan overtuigd dat hij goed behandeld kan worden wanneer de behandeling aansluit bij zijn wensen, wat volgens hem soms wordt belemmerd door onjuiste of onvolledige documentatie. Ongeacht of er sprake is van gedwongen zorg, is voor betrokkene zeer belangrijk dat hij aan het einde van zijn (klinische) behandeling goed kan functioneren. Door de sederende werking van de tabletten is dat nu niet het geval. In het verleden gebruikte betrokkene zowel depot als orale medicatie. Nadat hij hiermee was gestopt, volgde echter een opname. Betrokkene geeft aan dat hij nu graag in overleg wil over de medicatie, met als doel een optimale behandeling en invulling van zijn leven te bereiken zonder dat sprake is van ernstig nadeel. Hij is van mening dat dit in het belang is van hemzelf, de behandelend arts en zijn omgeving. Met de toediening van het depot is hij het wel eens.
De dag na de zitting heeft betrokkene een afspraak met het ambulante wijkteam. Hij heeft veel vertrouwen in zijn ambulante behandelaar en wil graag dit gesprek afwachten. Dan zal hij zijn standpunt over de medicatie beter kunnen bepalen en verwoorden.
Betrokkene vertelt informatie te hebben gelezen waaruit hij concludeert dat Olanzapine hersenschade zou kunnen veroorzaken. Om die reden acht hij het gebruik van Olanzapine niet noodzakelijk voor zijn eigen veiligheid. Desondanks neemt hij deze medicatie nu wel in, omdat hij bang is dat hij anders een depotinjectie zal krijgen, waarvan hij verwacht verward te raken.
De advocaat heeft verklaard dat betrokkene in beginsel bereid is aan alle zorg mee te werken op vrijwillige basis. Het enige punt van discussie betreft de medicatie. Betrokkene is een intelligente jongen die een diploma wil behalen en graag wil werken. Door de huidige medicatie kan hij zich niet goed concentreren. Dat staat hem in de weg aan zijn toekomst te werken.
Hij ervaart echter dat de huidige medicatie leidt tot concentratieproblemen en een gevoel van afvlakking, waardoor hij belemmerd wordt in zijn functioneren.
Betrokkene neemt de voorgeschreven medicatie in, maar ervaart hier moeite mee en wil inspraak hebben in de keuze en dosering ervan. De advocaat verwacht niet dat de samenwerking tussen betrokkene en de behandelaren een breekpunt zal vormen. Mocht een zorgmachtiging worden toegewezen, dan kan betrokkene zich daarin vinden, mits er ruimte blijft voor overleg over de medicatie. Volgens de advocaat wordt betrokkene wilsbekwaam geacht, hetgeen betekent dat rekening gehouden dient te worden met zijn wensen en standpunten. Betrokkene verzet zich primair tegen het opleggen van een zorgmachtiging, omdat hij zichzelf in staat acht om in overleg met het ambulante team afspraken te maken en het gesprek aan te gaan. Indien de zorgmachtiging toch wordt toegewezen, maakt de advocaat subsidiair bezwaar tegen de verplichte vorm van zorg in de vorm van medicatie. De verplichte vorm van zorg insluiten heeft zich al geruime tijd niet voorgedaan. Mocht zich een noodsituatie voordoen, dan kan hier volgens de advocaat binnen het bestaande kader op worden gehandeld.
De arts van de afdeling heeft verklaard dat de wilsbekwaamheid per onderdeel kan worden betwist. Betrokkene is het oneens met de diagnose kwetsbaarheid voor psychoses en toont geen ziekte-inzicht. De medicatie is gericht op het voorkomen van terugval. Olanzapine is een anti-psychotica, maar heeft ook een sederende werking. Dat geeft een goede nachtrust. De Olanzapine wordt ’s avonds in tabletvorm gegeven, daarnaast heeft betrokkene een depot met anti-psychotica. Er bestaat een duidelijk verband tussen het al dan niet innemen van medicatie en de heropnames. De vraag is of betrokkene wilsbekwaam is ten aanzien van de medicatie. De arts hoort betrokkene uitspraken doen die hij niet volledig kan volgen, wat bij de arts de indruk wekt dat er sprake is van onjuiste uitspraken. Hoewel betrokkene in staat lijkt mee te denken over de medicatie, twijfelt de arts aan de bruikbaarheid daarvan. De zorgmachtiging wordt met name van belang geacht voor situaties waarin betrokkene de medicatie niet inneemt, aangezien dit kan leiden tot ernstige ontregeling. De arts acht de medicatie essentieel voor het behouden van een stabiel toestandsbeeld. Dat betrokkene goed reageert op de medicatie bevestigt volgens de arts de noodzaak om deze voort te zetten. In de thuissituatie was sprake van ernstige agressie. Ook tijdens de opname op de afdeling is agressief gedrag waargenomen, wat heeft geleid tot separatie.
De medicamenteuze behandeling is ingezet ter voorkoming van verslechtering van het toestandsbeeld. Daarnaast wordt de zorgmachtiging noodzakelijk geacht ter ondersteuning bij het nakomen van afspraken met het wijkteam. In de middag na de zitting vindt een gesprek plaats met de woongroep om te beoordelen of terugkeer naar de woning mogelijk is. De verwachting is dat dit vanuit de begeleiding een goede kans heeft. De dag na de zitting staat een gesprek gepland met de ambulante hulpverlening, waarna ontslag volgt, aangezien het huidige toestandsbeeld aanzienlijk verbeterd is ten opzichte van het moment van opname. De arts geeft aan dat betrokkene goede ideeën heeft over de medicatie en verwacht dat de ambulante behandelaren bereid zijn hiernaar te luisteren. Aanvankelijk leek betrokkene open te staan voor het gebruik van Olanzapine, maar dit blijkt niet volledig het geval te zijn. Hierdoor bestaat het risico op ontregeling en mogelijk verlies van de woning. Betrokkene is aangemeld bij Meander voor behandeling in het kader van een autismespectrumstoornis. Vanwege de lange wachttijd kan deze behandeling niet binnen de huidige accommodatie worden overbrugd, maar er wordt toegewerkt naar een autismebehandeling. Zodra deze behandeling is gestart, bestaat tevens perspectief op een langdurige meer passende woonplek.

Beoordeling

Op 15 december 2025 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 5 januari 2026.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische decompensatie.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Tijdens de opname heeft betrokkene herhaaldelijk agressief gedrag vertoond richting anderen en is hij meerdere malen gesepareerd. Bij betrokkene zijn palletmesjes aangetroffen en in beslag genomen, waarna zijn kamer is gecontroleerd op de aanwezigheid van scherpe voorwerpen. Tevens heeft betrokkene met een paraplu gezwaaid, welke hij niet wilde afgeven en is hij vervolgens in de holding geplaatst. Daarnaast heeft betrokkene tijdens de opname geprobeerd een pasje van een personeelslid af te pakken, mogelijk met het doel de afdeling te verlaten. Betrokkene is beperkt invoelbaar als gevolg van angst en achterdocht. Hij lijkt gericht op het zoeken naar voorwerpen die als wapen kunnen dienen ter verdediging, maar geeft hierover geen nadere toelichting. In de periode voorafgaand aan de opname heeft betrokkene zich binnen het wijkteam onttrokken aan de geboden zorg. Tevens zijn voorafgaand aan de opname zorgwekkende signalen betreffende agressie ontvangen vanuit de woonbegeleiding. Er is sprake van maatschappelijke teloorgang indien betrokkene zijn huidige woonplek verliest na een terugval.
Om de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er onvoldoende mogelijkheden voor passende zorg op geheel vrijwillige basis zijn, ook al is tijdens de zitting gebleken dat betrokkene wil meewerken aan de behandeling. Bij ontregeling valt echter de basis voor de samenwerking weg en heeft betrokkene zich onttrokken aan de ambulante zorg en heeft zijn medicatie niet ingenomen. Ook is daarbij een situatie met ernstig nadeel ontstaan, zowel voor betrokkene zelf als voor zijn omgeving. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het opleggen van verplichte zorg in de vorm van:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene.
Niet voorzienbaar is dat het opleggen hiervan direct noodzakelijk zal zijn. Betrokkene gaat op korte termijn met ontslag, neemt de voorgeschreven medicatie in en werkt mee met de medische controles, die nodig zijn in het kader van de voorgeschreven medicatie. Voor de specifieke motivering van het afwijzen de vorm Toediening van medicatie is onderstaande alinea opgenomen.
Het verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.
De rechtbank passeert het beroep op wilsbekwaam verzet van betrokkene tegen de verplichte vorm van zorg Toediening van medicatie wegens het zich voorgedane ernstig nadeel, zowel voorafgaand aan als tijdens de huidige opname. Bovendien zal zijn huidige woonplek onder druk komen te staan, wanneer de problemen, met name de agressie, zich herhalen bij een nieuwe terugval, hetgeen maatschappelijke teloorgang met zich meebrengt.
De rechtbank wijst echter vooralsnog in deze fase van de behandeling de verplichte toediening van medicatie af.
Betrokkene streeft naar een optimale medicamenteuze behandeling, waarbij hij stabiel blijft, maar tevens niet zodanig nadeel ondervindt door de sederende werking van de tabletten Olanzapine dat hij geen zinvolle invulling aan zijn leven qua studie en werk kan geven, althans daarin ernstige belemmering ervaart. Hij accepteert wel het depot anti-psychotica.
Hij moet in deze fase voldoende tijd en gelegenheid krijgen om met zijn ambulante behandelaar, waar hij vertrouwen in stelt, te overleggen op dit punt en te praten over mogelijke alternatieven voor de huidige medicatie in tabletvorm.
Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, waarbij de wensen en voorkeuren van de (wilsbekwame) betrokkene zoveel mogelijk moeten worden gehonoreerd.
Nu een gesprek daarover op korte termijn gepland staat, maar op de dag van de zitting nog niet heeft plaatsgevonden, meent de rechtbank dat de uitkomst van dit overleg dient te worden afgewacht. Gezien de houding van betrokkene ter zitting lijkt de optie van het komen tot een afspraak op het punt van de voorgeschreven medicatie kansrijk.
Mocht het echter niet mogelijk zijn dat een goed alternatief geboden kan worden voor de sederende tabletten en betrokkene zijn medewerking alsnog weigert voor inname van de voorgeschreven medicatie, dan kan dit opnieuw ter beoordeling aan de rechtbank worden voorgelegd. Daarbij zal dan de afwending van ernstig nadeel voor betrokkene en zijn omgeving in de afweging worden betrokken en het wilsbekwame verzet (opnieuw) kunnen worden gepasseerd.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 15 juli 2026;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door M. Gosses als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 januari 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 januari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.