ECLI:NL:RBDHA:2026:8842
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na niet-tijdige beslissing verblijfsvergunning
Verzoekster diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 4 november 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister bood aan de proceskosten tot een bedrag van € 453,50 te vergoeden, het tarief tot 31 december 2025. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toewijzing van proceskosten passend was.
Gezien de lichte aard van de zaak en het beperkte belang hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5, waardoor de vergoeding werd vastgesteld op € 467,- volgens het tarief vanaf 1 januari 2026. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van dit bedrag.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.