ECLI:NL:RBDHA:2026:8839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen
Verzoekster diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Nadat de minister alsnog op 12 november 2025 een besluit nam, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen en dat verzoekster recht had op proceskostenvergoeding. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele gemachtigde, werd een vast bedrag toegekend met een wegingsfactor van 0,5.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten en de griffierechten. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 29 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten en vergoeding van griffierecht.