Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.15458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond vervolgberoep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens voldoende voortvarendheid

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is sinds 4 december 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel wordt voortgezet en verweerder heeft de rechtbank hierover geïnformeerd, wat gelijkstaat aan een beroep van eiser tegen de voortzetting.

Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting, mede vanwege zijn beperkingen (doofheid en lichte verstandelijke beperking), en dat verweerder meer inspanningen moet verrichten, zoals een persoonlijke presentatie bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten, die pas overgaan tot persoonlijke presentatie na bevestiging van de nationaliteit. Er is geen reden om te twijfelen aan de voortvarendheid van verweerder. De beperkingen van eiser zijn erkend, maar vormen geen reden om te concluderen dat eiser geen medewerking kan of moet verlenen.

Gezien de duur van de bewaring en de inspanningen van verweerder is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in de voortzetting van de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15458

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Verweerder heeft de rechtbank op 18 maart 2026 van de voortduring van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 januari 2026 (in de zaak NL25.63088) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft bij de Algerijnse autoriteiten om een laisser-passez gevraagd. Verweerder rappelleert schriftelijk, maar vooralsnog zonder resultaat. Eiser vindt dat verweerder meer moet doen, bijvoorbeeld door een presentatie in persoon te regelen. Daar komt bij dat eiser vrijwel doof is en licht verstandelijk beperkt. Niet blijkt dat verweerder hier rekening mee houdt. Gelet op zijn handicaps kan niet van eiser verwacht worden dat hij op dezelfde actieve wijze meewerkt aan zijn uitzetting als een persoon zonder deze beperkingen.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Op zitting heeft verweerder uitgelegd dat zij in dit stadium alleen schriftelijk rappelleren omdat zij afhankelijk zijn van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Deze werkwijze houdt in dat vreemdelingen pas in persoon worden gepresenteerd nadat hun Algerijnse nationaliteit is bevestigd. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen en ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder geldt dat de beperkingen van eiser niet in geschil zijn. De rechtbank ziet in het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd echter geen aanleiding voor het oordeel dat deze beperkingen maken dat van hem geen enkele medewerking verwacht kan worden om zijn uitzetting te bespoedigen, zo nodig met behulp van zijn gemachtigde. Verder is eiser op 4 december 2025 voor het eerst in bewaring gesteld, op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Dat betekent dat eiser ongeveer vier maanden in bewaring zat toen de rechtbank het onderzoek sloot. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt en dat er een redelijk vooruitzicht is op zijn verwijdering uit Nederland.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.