ECLI:NL:RBDHA:2026:8796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond vervolgberoep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens voldoende voortvarendheid
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is sinds 4 december 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel wordt voortgezet en verweerder heeft de rechtbank hierover geïnformeerd, wat gelijkstaat aan een beroep van eiser tegen de voortzetting.
Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting, mede vanwege zijn beperkingen (doofheid en lichte verstandelijke beperking), en dat verweerder meer inspanningen moet verrichten, zoals een persoonlijke presentatie bij de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt dat verweerder afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten, die pas overgaan tot persoonlijke presentatie na bevestiging van de nationaliteit. Er is geen reden om te twijfelen aan de voortvarendheid van verweerder. De beperkingen van eiser zijn erkend, maar vormen geen reden om te concluderen dat eiser geen medewerking kan of moet verlenen.
Gezien de duur van de bewaring en de inspanningen van verweerder is er een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in de voortzetting van de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.