Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor haar en haar zoon. Nadat de minister alsnog een besluit nam op de aanvraag, trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog nemen van het besluit geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoet was gekomen, waardoor het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op €467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht', aangezien het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig beslissen.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van €194 te vergoeden aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 8 april 2026.