Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 23 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat hij sinds 2023 niet meer in Nederland verbleef en dat hij zijn identiteitsbewijs kwijt was geraakt, waardoor hij zich niet kon inschrijven voor werk en woning.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich terecht op het standpunt stelde dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Het besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf was op 11 februari 2023 uitgereikt, en eiser was hiervan op de hoogte. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van bestendig verblijf in Polen, zoals documenten over zijn arbeid of detentie.
De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de bewaring, waaronder eerdere overtredingen van de vreemdelingenwet en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, niet werden betwist. De maatregel was proportioneel en noodzakelijk, omdat geen minder ingrijpende maatregel doeltreffend was.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.