Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.16232
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 23 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat hij sinds 2023 niet meer in Nederland verbleef en dat hij zijn identiteitsbewijs kwijt was geraakt, waardoor hij zich niet kon inschrijven voor werk en woning.

De rechtbank oordeelde dat verweerder zich terecht op het standpunt stelde dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Het besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf was op 11 februari 2023 uitgereikt, en eiser was hiervan op de hoogte. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van bestendig verblijf in Polen, zoals documenten over zijn arbeid of detentie.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de bewaring, waaronder eerdere overtredingen van de vreemdelingenwet en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, niet werden betwist. De maatregel was proportioneel en noodzakelijk, omdat geen minder ingrijpende maatregel doeltreffend was.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16232

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Buitenkant. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat de beschikking van 9 februari 2023, inhoudende dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, niet aan eiser is uitgereikt. Het uitreikingsblad zit niet in het dossier. Verder is eiser van 2023 tot en met 2026 niet meer in aanraking geweest met justitie, wat erop duidt dat hij in die periode dus niet meer in Nederland was. Een gedeelte van die tijd heeft eiser in de gevangenis in Polen doorgebracht. Ook is hij acht maanden stratenmaker geweest. Eiser is naar Nederland gekomen om te werken en toen is zijn identiteitsbewijs kwijtgeraakt. Daarom heeft hij zich niet kunnen inschrijven voor een woning en voor werk. De politie had het teruggevonden identiteitsbewijs aan eiser terug moeten geven zodat hij door kon met zijn leven.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Uit het besluit waarbij het rechtmatig verblijf is beëindigd van 9 februari 2023, blijkt dat het besluit is uitgereikt op 11 februari 2023. De rechtbank ziet in hetgeen op zitting naar voren is gebracht geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee genoegzaam duidelijk dat eiser op de hoogte was van dat besluit. Daarbij komt dat verweerder ter completering van het dossier het uitreikingsblad aan het digitale dossier heeft toegevoegd.
6.1.
Verder is niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en in Polen bestendig verblijf heeft opgebouwd. Eiser heeft deze stelling namelijk geenszins onderbouwd. Dat eiser langere tijd niet in aanraking is geweest met de Nederlandse justitie is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Daarnaast heeft eiser van zijn gestelde arbeid als stratenmaker in Polen geen enkel documenten overgelegd. Voor zover eiser in Polen was gedetineerd zijn hiervan evenmin documenten overgelegd. Bovendien geldt een verblijf in de gevangenis niet als bestendig verblijf. Hieruit blijkt namelijk geen binding met Polen. Eiser heeft geen huurcontract of bewijs van een koopwoning overgelegd dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat eiser nog altijd geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
7. Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet worden betwist. Deze gronden en de daarbij gegeven motivering zijn voldoende om het risico op onttrekking aanwezig te achten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De enkele stelling dat eiser met teruggave van zijn identiteitsbewijs zou kunnen wonen en werken in Nederland, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ook hierbij is van belang dat eiser pas weer van in Nederland van zijn rechten als burger van de Unie gebruik kan maken, nadat hij bestendig verblijf in Polen heeft gehad, hetgeen niet aannemelijk is geworden.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.