Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8786

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL24.28662 NL24.28663 NL24.29421
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 31, vijfde lid, Richtlijn 2013/32/EUArt. 42, eerste lid, VwAlgemene wet bestuursrechtVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt nieuw besluit op asielaanvragen na intrekking eerdere afwijzingen

Eisers, allen van Turkse nationaliteit, hadden asielaanvragen ingediend die door verweerder bij besluiten van juni en juli 2024 werden afgewezen. Tegen deze besluiten werd beroep ingesteld. Verweerder trok de besluiten in, waarna eisers hun beroep omzetten in een beroep tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank wees het verzoek van verweerder tot aanhouding af en behandelde het beroep op 31 maart 2026. Omdat de besluiten waren ingetrokken, waren de beroepen tegen deze besluiten niet-ontvankelijk. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen werden gegrond verklaard, aangezien verweerder geen nieuw besluit had genomen binnen de wettelijke termijnen.

De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van 21 maanden ruimschoots was overschreden en dat verweerder naliet om na aanscherping van het beleid de reeds afgenomen gehoren te heroverwegen. De rechtbank gaf verweerder een termijn van twaalf weken om alsnog een besluit te nemen en legde voor elke eiser een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500 per persoon.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van €4.697 aan proceskosten aan eisers. De uitspraak werd mondeling gedaan door rechter M.F.A.M. Smeets en griffier L. Kooring op 31 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Verweerder moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen op de asielaanvragen en riskeert dwangsommen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.28662
NL24.28663
NL24.29421
V-nummers: [v nummer 1]
[v nummer 2]
[v nummer 3]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [geboortedag 1] 2001, eiser,

[eiseres 1][geboortedag 2] , eiseres 1,
[eiseres 2], [geboortedag 3] , eiseres 2,
allen van Turkse nationaliteit,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. F. Zeven)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Beyik-Koçer).

Inleiding

1. Bij de bestreden besluiten van 3 juni 2024 en 24 juni 2024 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond. Bij het bestreden besluit van 11 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
1.2.
Verweerder heeft de rechtbank verzocht de zaken aan te houden om eisers aanvullend te kunnen horen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
1.3.
Verweerder heeft de bestreden besluiten ingetrokken. Eisers hebben vervolgens verzocht om het beroep te beschouwen als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en E. Taskin als tolk in de Turkse taal. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen en heeft voor de zitting een verweerschrift ingediend. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De beroepen tegen de bestreden besluiten
2. Verweerder heeft de bestreden besluiten ingetrokken. Eisers hebben daarom geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de bestreden besluiten. Het beroep tegen de bestreden besluiten is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank zal aan het eind van de uitspraak ingaan op het verzoek van eisers om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
De beroepen tegen het niet tijdig beslissen
3. Verweerder heeft de bestreden besluiten ingetrokken zonder direct (opnieuw) een besluit te nemen. Omdat verweerder ermee bekend is dat na de intrekking van de bestreden besluiten de situatie zou ontstaan dat niet tijdig op de aanvragen is beslist, kan, gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb [1] , redelijkerwijs niet van eisers worden gevergd dat zij voorafgaand aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen verweerder in gebreke stellen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van 4 mei 2023 en 20 mei 2023 zijn dan ook gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nu nog geen besluit op de asielaanvragen heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank stelt vast dat de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn [2] inmiddels ruimschoots is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. Het is daarom van belang dat zo snel mogelijk een besluit op de aanvragen van eisers wordt genomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het tenminste in enige mate aan verweerder is te wijten dat er niet binnen de op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw [3] voor het nemen van een besluit gestelde termijn opnieuw op de aanvragen is beslist. De gehoren zijn immers afgenomen toen nog een relatief soepel beleid voor Gülenisten gold, terwijl de besluiten zijn genomen nadat dit beleid was aangescherpt. Verweerder heeft verzuimd na deze aanscherping te kijken of de gehoren van eiseressen een besluit onder de aangescherpte regels nog wel konden dragen, hetgeen gelet op het verloop van die gehoren en de belangen daarvan voor eiseressen volgens de rechtbank voor de hand had gelegen. Tegelijkertijd acht de rechtbank het in het kader van zorgvuldigheid en de psychische problematiek van eiseressen van belang dat verweerder tenminste enige tijd krijgt om eisers aanvullend te horen en een nieuw besluit te nemen. Daarbij neemt de rechtbank op grond van de indrukken zoals zij die heeft opgedaan van eiseressen op de zitting in overweging dat het in het geval van eiseres 2 verstandig lijkt om haar schriftelijk te horen en dat dit in het geval van eiseres 1 wellicht ook een optie is maar dat het juist gelet op de relevante van haar verklaring voor alle drie de aanvragen verstandig lijkt om te bewerkstelligen dat eiseres 1 met aanvullende waarborgen toch opnieuw in persoon kan worden gehoord. Alles overziend komt de rechtbank erop uit dat het in de specifieke omstandigheden van deze zaak redelijk is om te bepalen dat verweerder uiterlijk binnen twaalf weken na de dag van deze mondelinge uitspraak (31 maart 2026) een besluit moet nemen op de asielaanvragen van eisers.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. In tegenstelling tot wat verweerder in het verweerschrift heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat aan verweerder driemaal een dwangsom moet worden opgelegd. De rechtbank gaat namelijk uit van de lijn waarvoor verweerder in de nu ingetrokken besluiten heeft gekozen. Deze houdt in dat de beoordeling van verweerder voor een aanzienlijk deel uitgaat van de betrokkenheid van elk afzonderlijk gezinslid bij de Gülen-beweging. Voor wat betreft de hoogte van de mogelijk te verbeuren dwangsommen overweegt de rechtbank dat, nu het hier om een eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen gaat, verweerder voor alle drie de eisers apart een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee verweerder de in deze uitspraak genoemde beslistermijn van twaalf weken overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
De proceskosten
6. Nu verweerder de bestreden besluiten heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten voor de beroepen tegen de bestreden besluiten. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals verweerder ook aan eisers heeft aangeboden, € 2.829,- (3 punten voor de beroepschriften, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Daarnaast krijgen eisers een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten voor de beroepen tegen het niet tijdig beslissen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (3 punten voor het indienen van de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 0,5 omdat het een lichte zaak betreft). De rechtbank is van oordeel dat de beroepen tegen het niet tijdig beslissen van licht gewicht zijn, omdat deze zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is. De totale proceskostenvergoeding die verweerder dient te betalen bedraagt in totaal € 4.697,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen de bestreden besluiten, niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen gegrond;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluiten op de aanvragen te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
- bepaalt dat verweerder aan eiseres 1 een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-.
- bepaalt dat verweerder aan eiseres 2 een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-.
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 4.697,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Richtlijn 2013/32/EU.
3.Vreemdelingenwet 2000.