ECLI:NL:RBDHA:2026:8784
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring
Eiser, een staatloze Palestijn uit Gaza, werd op 23 maart 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de maatregel in het kader van het grensbewakingsbelang is opgelegd en dat de wetgever niet vereist dat bij oplegging al een toets plaatsvindt op de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder mag een redelijke termijn nemen om nader onderzoek te doen naar de identiteit, nationaliteit, reisroute, geloofwaardigheid en andere relevante aspecten van het asielverzoek.
Eiser voerde aan dat hij uit een 15c-gebied komt en dat de maatregel daarom onrechtmatig zou zijn, mede op grond van werkinstructie 2022/15. De rechtbank oordeelde dat deze werkinstructie niet uitsluit dat ook asielaanvragen uit 15c-gebieden in de grensprocedure worden behandeld en dat verweerder het onderzoek mag afwachten.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.