Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8728

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/09/697805 / JE RK 26-74
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, omdat het NIKA-traject niet van de grond is gekomen door weerstand van de ouders. De minderjarige verblijft in een pleeggezin waar zij zich goed ontwikkelt, terwijl de ouders onvoldoende meewerken aan hulpverlening en onderzoek.

De moeder geeft aan wel te willen meewerken, maar vreest dat het NIKA-traject leidt tot een definitieve uithuisplaatsing. De ouders ervaren weinig vertrouwen in de gecertificeerde instelling en voelen zich niet erkend. De pleegouders en pleegzorgbegeleiders bevestigen de positieve ontwikkeling van de minderjarige in het pleeggezin en de problematische hechting met de ouders.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging ernstig is en dat zonder medewerking van de ouders geen zicht is op verbetering. Daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/697805 / JE RK 26-74
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2]hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026;
  • de brief van de pleegouders van 8 maart 2026;
  • de schriftelijke aanwijzing aan de ouders met bijlagen van de gecertificeerde instelling van 11 maart 2026;
  • de e-mailberichten van de moeder van 11 maart 2026 en 12 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • de pleegmoeder;
  • [naam 2] en [naam 3] namens Pleegzorg Jeugdformaat.
De vader en de pleegvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de pleegvader wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 maart 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Het afgelopen jaar is er geen onderzoek of hulpverlening van de grond gekomen waardoor de oude patronen nog in stand zijn en de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] nog aanwezig is. Sinds 2023 zijn er gesprekken met de ouders voor het NIKA traject om zicht te krijgen op de ouder-kind relatie, de opvoedvaardigheden van de ouders en of de ouders leerbaar zijn om in de ontwikkelbehoeften van [minderjarige] te kunnen voorzien. Dit is nodig om de omgang tussen de ouders en [minderjarige] te verbeteren en te onderzoeken of [minderjarige] bij de ouders kan opgroeien. NIKA zou in december 2025 opnieuw een start maken, maar ondanks de toezegging van de ouders tijdens de vorige zitting gaven de ouders aan nog steeds niet te willen meewerken. De begeleide omgang tussen de ouders en [minderjarige] verloopt op dit moment goed, maar er wordt ook gezien dat [minderjarige] erg in controle is en de bezoeken altijd hetzelfde verlopen. Verder is er geen contact tussen de gecertificeerde instelling en de ouders en laten de ouders veel weerstand zien. Hierdoor is er ook geen zicht hoe het met de ouders gaat. Het is lastig om deze impasse met de ouders te doorbreken. Er is op meerdere manieren geprobeerd om het traject op gang te krijgen, maar dat heeft niet geholpen. [minderjarige] ervaart structuur en veiligheid bij de pleegouders en het is van belang dat [minderjarige] daar op dit moment kan blijven. Gelet op de aanvaardbare termijn is het van belang dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] . Als de ouders niet gaan meewerken blijft de situatie zoals die nu is en zal de gecertificeerde instelling op basis daarvan een perspectiefbesluit nemen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij heeft geprobeerd om samen te werken met de gecertificeerde instelling, maar dat ze elkaar niet begrijpen waardoor er wrijving ontstaat. De moeder heeft LVB waardoor zij meer tijd nodig heeft om dingen te leren en te begrijpen, maar dat betekent niet dat zij niet leerbaar is. Er zijn ook veel positieve verslagen over de band tussen de ouders en [minderjarige] . De moeder wil wel meewerken met hulpverlening zodat ze de best mogelijke moeder kan zijn voor [minderjarige] , maar de moeder wil niet dat het NIKA traject leidt tot een definitieve uithuisplaatsing. De moeder maakt zich zorgen dat het NIKA traject ook een perspectiefonderzoek is waardoor [minderjarige] niet meer terugkomt bij de ouders als daaruit komt dat de ouders niet voor [minderjarige] kunnen zorgen. De moeder wil dat er in een traject of hulpverlening komt om te kijken of de ouders dit kunnen leren, maar dat kregen de ouders niet te horen waardoor ze daarna zijn dichtgeslagen. Daar is de weerstand ontstaan bij de ouders.
4.2.
De advocaat heeft namens de ouders naar voren gebracht dat de ouders het gevoel hebben dat het bij de geboorte van [minderjarige] al vaststond voor de gecertificeerde instelling dat de ouders niet voor [minderjarige] kunnen zorgen. Dit maakt de samenwerking voor de ouders met de gecertificeerde instelling ingewikkeld. De ouders hebben de wens om voor [minderjarige] te zorgen en dat [minderjarige] weer bij hen komt wonen, maar zij begrijpen ook dat dit nu nog niet mogelijk is en dat is erg pijnlijk voor de ouders. De ouders hebben het gevoel dat er alleen maar dingen voor hen worden bepaald en niet met hen en zij willen dat er iemand naast hen gaat staan. De ouders hebben weerstand tegen het NIKA traject omdat ze niet geloven in de oprechtheid van het traject. Zij hebben het gevoel dat dit traject alleen wordt ingezet om de machtiging tot uithuisplaatsing te kunnen onderbouwen en het perspectief te bepalen waarbij [minderjarige] niet meer terug zal gaan naar de ouders. De ouders staan wel open voor een gezinsopname. Er is veel ruis ontstaan waardoor de ouders ook geen contact hebben met de pleegouders. De ouders willen de erkenning krijgen dat het lastig voor hen is en dat zij de ouders van [minderjarige] zijn. Het is van belang dat alle partijen met elkaar om tafel gaan en gaan samenwerken, ook om de praktische dingen rondom [minderjarige] goed te kunnen regelen.
4.3.
De pleegmoeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] het goed doet bij de pleegouders en stappen zet in haar ontwikkeling. Bij de logopedist heeft [minderjarige] aan haar spraak- en taalachterstand gewerkt die waarschijnlijk veroorzaakt is doordat zij onvoldoende gestimuleerd werd. In het begin kon [minderjarige] nog opstandig en boos gedrag laten zien na de begeleide bezoeken met de ouders waarbij ze op de grond ging liggen, maar dat is na een paar maanden overgegaan waardoor ze nu kan genieten van de bezoekmomenten. De pleegouders hebben geen direct contact met de ouders en ze zien elkaar alleen bij de bezoekmomenten. Hierdoor is het ook nog niet haalbaar om bepaalde gezinsmomenten met de ouders te organiseren. De verjaardag van [minderjarige] is wel gevierd met beide oma’s van de ouders.
4.4.
Desgevraagd hebben de pleegzorgbegeleiders van Jeugdformaat naar voren gebracht dat er tijdens de begeleide bezoeken wordt gezien dat de ouders veel van [minderjarige] houden. [minderjarige] rent vaak enthousiast naar haar ouders, maar ze doet dat ook bij andere contacten zoals haar juf wat kan betekenen dat er sprake is van problemen in de hechting. [minderjarige] is heel erg in controle tijdens de bezoeken en bepaalt wat er gebeurt. Het kan lastig zijn voor de moeder om zich daar goed op aan te passen. Ook het aansturen en bieden van structuur is een aandachtspunt. Als [minderjarige] alleen met haar pleegouders is laat zij die controle niet zien en is ze ontspannen en rustig aan het spelen en goed aan te sturen. Voor de ouders is het lastig om dat aan te horen waardoor zij dat zelf ook niet zo zien. De pleegzorgbegeleiders hebben expertise op het gebied van LVB, maar er wordt gezien dat de ouders heel erg in de weerstand zitten. Die weerstand is zo groot dat de gesprekken en informatie niet bij hen binnenkomt, wat de situatie en samenwerking lastig maakt. Er is uitleg gegeven over het NIKA traject bij de ouders, ook door de pleegzorgmedewerkers en de gedragswetenschappers. Het lijkt een copingmechanisme te zijn van de ouders, omdat er nog veel angst, verdriet en rouw bij de ouders speelt dat [minderjarige] niet bij hen kan wonen. Wanneer het de ouders lukt om in te kunnen zien waarom dit nu niet kan, zal het ook beter lukken om een samenwerking aan te gaan, maar dan moeten de ouders daar wel voor openstaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Het NIKA traject is de afgelopen periode opnieuw niet van de grond gekomen, omdat de ouders zich daartegen blijven verzetten. Hierdoor is er nog geen zicht op de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de ouders om bij de ontwikkelbehoeften van [minderjarige] aan te kunnen sluiten en of de ouders in staat zijn om de verzorging voor [minderjarige] te kunnen dragen. Er is een warme band tussen de ouders en [minderjarige] tijdens de bezoekmomenten dankzij de vertrouwde kaders en structuur, maar er wordt ook gezien dat [minderjarige] erg in controle en zelfbepalend is en de ouders moeite hebben om van de structuur af te wijken en haar aan te sturen. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders, is meer ontspannen bij hen en laat zich dan ook beter aansturen. De zorgen waren zeer ernstig voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] en zonder onderzoek en hulpverlening kan [minderjarige] niet op een veilige manier terug naar de ouders. De kinderrechter zal de maatregelen daarom verlengen zoals verzocht. Mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is het van belang dat er komende periode duidelijkheid gaat komen over haar perspectief. Hoewel de weerstand bij de ouders begrijpelijk is vanwege hun eigen pijn, verdriet en angst is het noodzakelijk dat zij dit in het belang van [minderjarige] opzij zetten en gaan samenwerken met de gecertificeerde instelling en meewerken aan het NIKA traject. Anders zal de gecertificeerde instelling na het verstrijken van de aanvaardbare termijn op basis van de huidige situatie het perspectief van [minderjarige] bepalen.
5.3.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.