Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/09/694766 / JE RK 25-1965
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleegzorg verlengd

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor netwerkpleegzorg. De kinderrechter heeft eerder op 17 december 2025 een machtiging verleend en deze procedure is voortgezet met een zitting op 12 maart 2026.

Tijdens de zitting was de vader aanwezig met zijn advocaat en een tolk, terwijl de moeder niet verscheen. De minderjarige heeft een gesprek gehad met de kinderrechter en haar wensen zijn meegenomen in de beoordeling. De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat de huidige verblijfplaats bij de schoonmoeder en haar partner op de lange termijn niet houdbaar is, mede door lichamelijke klachten, financiële beperkingen en beperkte woonruimte.

De minderjarige wil niet terug naar haar ouders en staat niet open voor een groepssetting, maar overweegt begeleid zelfstandig wonen. De kinderrechter acht de machtiging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding en verlengt deze voor drie maanden. De behandeling van het verzoek wordt voor het overige aangehouden, waarbij een schriftelijke update van de gecertificeerde instelling wordt verlangd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 17 juni 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/694766 / JE RK 25-1965
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , [land] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.J. de Bruijn uit Den Haag,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 december 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 17 maart 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 26 februari 2026.
1.3.
Op 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en een tolk in de taal Urdu;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Het screeningstraject voor het netwerkpleeggezin heeft vertraging opgelopen, maar inmiddels is dit gestart. De jeugdbeschermer heeft wekelijks contact met [minderjarige] en heeft meerdere huisbezoeken afgelegd waardoor er zicht is op het sociale netwerk, de dagbesteding en de verblijfssituatie van [minderjarige] . De gecertificeerde instelling schat de plaatsing van [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje op dit moment voldoende veilig en passend in, maar ziet ook dat deze setting op de lange termijn onvoldoende houdbaar is, onder andere vanwege de lichamelijke klachten van de schoonmoeder, de financiële beperkingen en de kleine woonruimte. De jeugdbeschermer kijkt met [minderjarige] naar een passende plek voor haar. [minderjarige] wil op dit moment niet terug naar haar ouders en staat niet open voor een groepssetting, maar wil mogelijk wel naar een mentorhuis of een vorm van begeleid zelfstandig wonen. Bij het trainingshuis is momenteel geen wachtlijst. Gelet op het weglooprisico bij [minderjarige] is het van belang dat er stap voor stap naar een andere plek wordt toegewerkt. Tot die tijd dient het verblijf van [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje gecontinueerd te worden.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft naar voren gebracht dat de ouders liever niet willen dat [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje verblijft. De vader heeft nu beter contact met [minderjarige] en spreekt haar dagelijks. Er komen veel hulpverleners over de vloer, maar de vader heeft het ook druk met zijn werk.
De advocaat heeft namens de ouders naar voren gebracht dat zij verweer voeren tegen de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoeken om die voor kortere duur toe te wijzen. De ouders hebben de wens dat [minderjarige] weer naar huis komt en willen daar komende periode naartoe werken.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] verblijft op dit moment nog in het netwerkpleeggezin bij haar schoonmoeder en vriendje, maar deze plek is op de lange termijn niet houdbaar. [minderjarige] wil op dit moment echter ook nog niet terug naar huis toewerken. Er wordt daarom met [minderjarige] gekeken naar een passende plek voor de langere termijn waarbij rekening wordt gehouden met de wensen en behoeften van [minderjarige] . De afgelopen periode zijn er kleine positieve stappen gezet in het contact tussen de ouders waardoor [minderjarige] nu goed contact heeft met de vader en af en toe thuis langskomt. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] gaat echter nog moeizaam. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden en aanhouden voor het overige zodat [minderjarige] in het netwerkpleeggezin kan blijven om van daaruit naar een passende plek voor haar toe te werken. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting een schriftelijke update te verzenden waarin zij de kinderrechter nader informeert over bovenstaande onderwerpen hiervoor overwogen en haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 17 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 17 juni 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder, de advocaat en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen.
6.4.
gelast de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting aan de kinderrechter en de belanghebbenden een
schriftelijke updatetoe te zenden waarin zij ook haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.