Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/09/679655 / FA RK 25-807 en C/09/687189 / FA RK 25-4633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:151 BWArt. 1:253a BWArt. 1:402 BWArt. 3 Protocol van 23 november 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en zorgregeling voor minderjarige

Partijen zijn in 2008 in Polen gehuwd en hebben een minderjarige zoon die zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk, waarbij de man de onvermijdelijkheid van de scheiding erkent.

De zorg- en opvoedingstaken worden verdeeld met het hoofdverblijf van het kind bij de vrouw. Vanwege de moeilijke situatie, waaronder het vertrek van de man naar het buitenland en de ziekte van het kind, wordt een belregeling vastgesteld in plaats van een fysieke zorgregeling. De man mag om de twee weken bellen.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €293 per maand, gebaseerd op draagkrachtberekeningen van beide ouders. De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats volgens Pools recht voor de periode tot 8 januari 2024 en Nederlands recht daarna, met specifieke afspraken over de woning, bankrekeningen en erfenis.

De vrouw krijgt het recht om de echtelijke woning zes maanden na inschrijving van de echtscheiding te blijven bewonen, met toegang voor de man voor gereedschap. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve het uitspreken van de echtscheiding.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats kind bij moeder, belcontact vader-kind geregeld, kinderalimentatie vastgesteld en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-807 (echtscheiding) en FA RK 25-4633 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/679655 (echtscheiding) en C/09/687189 (verdeling)
Datum beschikking: 11 maart 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 4 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 14 februari 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 3 juni 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 28 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 3 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
De [minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 11 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk A. Glinka;
- de advocaat van de man;
- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De man is niet persoonlijk op de zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2008 te [plaats 1] , Polen.
- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man, de vrouw en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben.
- Deze rechtbank heeft op 19 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen en, voor zover hier van belang bepaald:
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] [plaats 2] en mitsdien is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behalve wanneer hij zijn gereedschap en daarvoor toegang tot de woning nodig heeft, waarvoor hij zijn komst van tevoren zal aankondigen;
- dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
- dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:
- een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na de zwemles (als [minderjarige] niet meer naar zwemles gaat vanaf 17.00 uur) tot zondag na het avondeten;
- iedere dinsdag en donderdag voor het avondeten;
- de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
- dat de man aan de vrouw, met ingang van 4 februari 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 516,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
- bepaling dat de man, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum, dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 696,- per maand, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste dag van iedere kalendermaand aan de vrouw te voldoen;
- vaststelling van de omvang en wijze van verdeling van het huwelijksvermogen overeenkomstig randnummer 22 tot en met 29 van het verzoekschrift;
- bepaling dat de vrouw gerechtigd is tot de bewoning en het gebruik van de echtelijke woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank in deze juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met ingang van heden.
De man heeft verzocht om het verzoek van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- een zorg- en opvoedingsregeling inclusief vakantieregeling vast te stellen zoals beschreven in het lichaam van het verweerschrift, in die zin dat:
- [minderjarige] bij de man zal verblijven een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na de zwemles (als [minderjarige] niet meer naar zwemles gaat vanaf 17.00 uur) tot zondag na het avondeten;
- [minderjarige] iedere dinsdag en donderdag met de man de avondmaaltijd zal gebruiken;
- [minderjarige] tijdens de zomervakantie drie weken aaneengesloten gedurende de bouwvakvakantie bij de man zal verblijven;
- [minderjarige] in een oneven jaar de eerste week van de kerstvakantie bij de man zal verblijven en in een even jaar de tweede week;
- in de voorjaars-, mei- en herfstvakantie de reguliere zorgregeling zal doorlopen. Indien een ouder in een van deze vakanties weg wil, vindt voorafgaand overleg tussen de ouders plaats;
- de man het brengen en halen voor zijn rekening zal nemen;
- te bepalen dat de man met ingang van de beschikkingsdatum een zodanige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen zoals door de rechtbank in goede justitie zal worden vastgesteld;
- de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast te stellen als beschreven in het lichaam van het verweerschrift.
De vrouw heeft verzocht om het verzoek ten aanzien van de zorgregeling en het verzoek ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en de Nederlandse bankrekeningen toe te wijzen. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De vrouw heeft dat niet gedaan. De man heeft gesteld dat het wel mogelijk zou zijn geweest om een ouderschapsplan op te stellen en stelt dat het verzoek daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard. Gelet op hetgeen in het verleden tussen partijen is voorgevallen en met name het huiselijk geweld tussen partijen is de rechtbank van oordeel dat het ouderschapsplan in redelijkheid niet kon worden overlegd. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Daartoe heeft de vrouw gesteld dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht.
De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding. De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij in het belang van [minderjarige] relatiebemiddeling met de vrouw wil aangaan. De man heeft ook aangegeven dat hij vermoedt dat de vrouw een nieuwe relatie heeft en de echtscheiding daarom onvermijdelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:151 BW Pro vereist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een huwelijk duurzaam is ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen. De ontwrichting van een huwelijk is een feitelijke toestand, waarvan het bestaan wordt beoordeeld ten tijde van de rechterlijke beslissing. Door welke oorzaak de toestand van ontwrichting is ontstaan, is niet van doorslaggevend belang.
Nu de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding volhardt en de man heeft erkend dat de echtscheiding onvermijdelijk is, is de rechtbank van oordeel dat geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat, zodat daarmee de duurzame ontwrichting is komen vast te staan. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar vast te stellen. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Aanvankelijk hadden partijen algehele overeenstemming over de reguliere zorgregeling en vakantieregeling bereikt. Gebleken is dat de situatie inmiddels is gewijzigd. De vrouw heeft in 2025 meerdere malen aangifte tegen de man gedaan vanwege bedreiging en mishandeling. Bovendien is de man in december 2025 naar [land] vertrokken. Onduidelijk is of en zo ja, wanneer de man naar Nederland zal terugkeren. Sinds het vertrek van de man naar [land] is er op onregelmatige basis telefonisch contact tussen de man en [minderjarige] . Bovendien is gebleken dat [minderjarige] in een moeilijke situatie zit. Hij heeft de ziekte van Crohn, gebruikt nu nieuwe medicatie en kan mede daardoor weinig naar school gaan. Ook heeft [minderjarige] veel meegekregen van de ruzies tussen de ouders. [minderjarige] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter ook verklaard over de incidenten die zich tussen de ouders hebben voorgedaan en van de indruk die deze op hem hebben gemaakt. Gelet op de gebeurtenissen van het afgelopen jaar en de huidige situatie waarbij de man in [land] verblijft, is de rechtbank van oordeel dat de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure, bij eventuele terugkeer van de man in Nederland, niet zonder meer kan worden hervat. De rechtbank vindt het belangrijk dat het contact tussen de man en [minderjarige] zorgvuldig wordt opgebouwd zodra de man weer in Nederland verblijft en dat daarbij rekening wordt gehouden met de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van [minderjarige] op dat moment. De rechtbank zal op deze toekomstige en onzekere omstandigheden niet vooruitlopen. Nu de man momenteel in [land] verblijft, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om nu een fysieke zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen. De rechtbank zal wel een belregeling vaststellen, omdat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat hij contact met zijn vader behoudt. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] één keer in de twee weken op dinsdag om 17.00 uur (Nederlandse tijd) belcontact heeft de man. De rechtbank heeft een belregeling met een hogere frequentie overwogen, maar acht dat voor [minderjarige] te belastend. In dit kader geeft de rechtbank de man mee dat het van belang is dat hij een voorspelbare vader voor [minderjarige] is en het in het belang van [minderjarige] is dat de man deze belregeling stipt nakomt.
Verder merkt de rechtbank nog het volgende op. Gebleken is dat Rondomjou op dit moment bij het gezin is betrokken. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen bij terugkeer van de man in Nederland met elkaar en de betrokken hulpverlening in overleg zullen gaan over de (opbouw van de) zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en zich inspannen voor contactherstel.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat voor de behoefte van [minderjarige] kan worden uitgegaan van de behoefte zoals vastgesteld in de voorlopige voorzieningenprocedure, te weten € 674,- per maand in 2024, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 751,-.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 18.075,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave over 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget van de vrouw voor [minderjarige] aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 5.996,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 2.006,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.000,- en € 2.050,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 77,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
De vrouw heeft gesteld dat bij de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2023 en 2024, te weten € 47.365,- ((€ 47.516,- + € 47.214,-) / 2). Daarbij heeft de vrouw voor het jaar 2024 aansluiting gezocht bij de privé-onttrekkingen in plaats van de brutowinst uit onderneming, nu de privé-onttrekkingen aanzienlijk hoger waren en deze bedragen kennelijk aan de man ter beschikking stonden.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat in redelijkheid moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 32.283,- bruto per jaar in 2024, nu hij op dit moment geen inkomen heeft. De man heeft aangevoerd dat privé-onttrekkingen schulden aan de onderneming zijn en deze bedragen dus niet behoren te worden meegenomen bij de berekening van zijn draagkracht. Daarbij genereerde de man in 2023 inkomen uit loondienst naast de winst uit zijn onderneming, wat sinds 2024 niet meer het geval is. Het jaar 2023 is daarom voor het inkomen van de man geen representatief jaar.
Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank met de man van oordeel dat het jaar 2023 niet representatief is geweest voor het inkomen van de man. De rechtbank acht het redelijk om bij de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van een winst uit onderneming van € 32.283,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2024. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.547,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 293,- per maand
(70% x [2.547 - (0,3 x 2.547 + 1.365)]).
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
Gelet op de belregeling die de rechtbank zal vastleggen, vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 5% toe te passen. De zorgkorting voor [minderjarige] bedraagt dan € 38,- (5% van € 751,-).
De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 370,- per maand (€ 77,- + € 293,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Er is een tekort van € 381,- (€ 77,- + € 293,- - € 751,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige] . Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man voor [minderjarige] met ingang van 11 maart 2026, € 293,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Nu de echtgenoten op [datum] 2008 in Polen met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Op het moment van de huwelijkssluiting hadden de echtgenoten beiden de Poolse nationaliteit. De echtgenoten woonden ten tijde van het huwelijk al in Polen en zijn na de huwelijkssluiting ook in Polen blijven wonen. Niet is gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Gelet op het voorgaande wordt op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en sub b van het Verdrag hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, te weten Polen.
Uit de Basisregistratie Personen komt naar voren dat de man en de vrouw sinds 8 januari 2014 staan ingeschreven op een adres in Nederland. Dit betekent dat zich een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, tweede lid, onder 2, van het Verdrag, en dus met ingang van 8 januari 2024 automatische wijziging van het toepasselijke recht heeft plaatsgevonden. Immers, vanaf dat moment hadden beide echtgenoten meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland. Op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag geldt dat een wijziging in het toepasselijke recht op grond van artikel 7, tweede lid, van het Verdrag slechts gevolg heeft voor de toekomst. Dit leidt ertoe dat op de goederen die partijen na 8 januari 2024 hebben verkregen en op de schulden die zij daarna zijn aangegaan Nederlands recht van toepassing is en op de goederen en schulden over de periode van [datum] 2008 tot 8 januari 2024 Pools recht van toepassing is.
Pools recht
Het Poolse recht kent blijkens de artikelen 31 tot en met 46 van het Poolse Familiewetboek als wettelijk stelsel de (beperkte) gemeenschap van goederen, bestaande uit drie vormen van vermogen, te weten het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, het privévermogen van de vrouw en het privévermogen van de man.
Nederlands recht
In dit geval zijn de man en de vrouw in 2008 gehuwd. Het Nederlandse recht is vanaf
8 januari 2024 van toepassing. Sinds 1 januari 2018 geldt in Nederland de beperkte gemeenschap van goederen.
Een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen betreft alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, en verder alle gemeenschappelijke schulden die de echtgenoten bij aanvang van de gemeenschap al hadden en alle tijdens deze gemeenschap ontstane schulden.
Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 4 februari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 4 februari 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
het woonhuis aan [adres] te [plaats 2] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de auto van het merk Skoda met [kenteken] ;
de bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [nummer 1] op naam van de man;
2. bankrekening eindigend op [nummer 2] op naam van de vrouw;
3. Poolse bankrekening van de vrouw.
Ad a. het woonhuis
De man heeft aangegeven dat hij de echtelijke woning wil overnemen en daarvoor een ‘spoorboekje’ voorgesteld. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal conform het voorstel van de man in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de man en, in het geval de man daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat de advocaat van de man op de zitting heeft toegezegd dat de man zo spoedig mogelijk zal meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde als blijkt dat de man financieel niet in staat is om de woning over te nemen.
Ad b. de auto
Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat de auto inmiddels is gesloopt. De man heeft dit niet betwist. Op dit verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.
Ad c. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, zonder verrekening van de saldi. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ten aanzien van de Poolse bankrekening van de vrouw heeft de man aangegeven dat deze aan de vrouw kan worden toegedeeld, onder verrekening van het saldo op de peildatum met de man. De vrouw heeft gesteld dat het saldo op de Poolse bankrekening niet binnen de gemeenschap valt, nu sprake is van een erfenis van de moeder van de vrouw. Hiertoe heeft de vrouw een brief van 30 december 2024 van de Instelling voor Sociale Verzekeringen in Polen overgelegd, waaruit blijkt dat zij een nettobedrag van 10.555,75 Poolse Zloty heeft ontvangen, zijnde een aandeel van 25% van de op de subrekening opgebouwde middelen van mw. [naam 2] . De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee voldoende heeft onderbouwd dat het bedrag van 10.555,75 Poolse Zloty afkomstig is uit een erfenis die buiten de gemeenschap valt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de volledige erfenis aan de vrouw toekomt en partijen het saldo dat na aftrek van dit bedrag op de Poolse bankrekening overblijft op de peildatum bij helfte moeten delen, waarna de rekening aan de vrouw wordt toegedeeld. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de man inzage zal geven in het saldo op de bankrekening op de peildatum.
Voortgezet gebruik
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Overwegingen rechtbank
De vrouw heeft verzocht om het voortgezet gebruik voor zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft hiermee ingestemd, onder de voorwaarde dat hij toegang behoudt tot de woning voor het geval hij zijn gereedschap nodig heeft. De vrouw heeft zich hier niet tegen verzet, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen. De man heeft aangegeven dat hij bereid is om zijn komst steeds tijdig te melden, zijn aanwezigheid in de woning tot het minimum te beperken en geen ruzie te zullen maken wanneer hij de woning betreedt. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de man zijn toezegging zal nakomen.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank zal [minderjarige] in de volgende, gelijktijdig met deze beschikking te versturen aparte brief, uitleggen wat de rechtbank heeft besloten:
“Beste [minderjarige] ,
Een paar weken geleden hebben wij met elkaar gesproken. Je vertelde me toen over het contact tussen jou en je vader en dat je je vader liever niet meer wilde zien, maar nog wel met hem wilde bellen op een afgesproken tijd. Je vader is de afgelopen maanden een paar keer erg boos geworden en heeft je moeder en jou ook een keer pijn gedaan. Ook heeft hij jou een paar keer alleen gelaten en dat vond je heel naar. Ook vertelde me je over de ziekte van Crohn en je nieuwe medicijnen en dat je daarom niet vaak naar school gaat. Dat is allemaal bij elkaar best wel verdrietig.
De dag nadat wij elkaar gesproken hebben heb ik gepraat met je moeder en haar advocaat en met de advocaat van je vader. De advocaat van je vader vertelde dat je vader niet naar de zitting kon komen. Hij vertelde wel dat je vader veel van je houdt en je heel erg mist.
Ik heb daarna nagedacht en besloten dat jij en je vader voorlopig elkaar niet zullen ontmoeten. Je vader is nu in [land] en dat maakt het sowieso al moeilijk, maar als hij terugkomt moeten er vanwege de dingen die gebeurd zijn ook eerst goede afspraken worden gemaakt. RondomJou, die je ook helpt met weer naar school gaan, kan jullie daarbij helpen. Ik vind het wel belangrijk dat je contact houdt met je vader en daarom heb ik ook besloten dat je om de week op dinsdagmiddag om vijf uur met je vader zult bellen, zoals je zelf ook voorstelde. Je vader belt jou dan op. Als jij tussendoor zin hebt om hem te bellen mag dat natuurlijk ook, maar je vader moet zich aan de afgesproken dag en tijd houden en dus niet steeds tussendoor bellen, omdat jij vertelde dat je dat lastig vindt.
Ik hoop dat je een beetje blij bent met deze beslissing en dat de nieuwe medicijnen je gaan helpen, zodat je weer vaker naar school kan gaan.
Verder wens ik je veel plezier met het buiten spelen en het gamen!
Met vriendelijke groet,
M.F. Baaij,
Kinderrechter”

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2008 te [plaats 1] , Polen;
bepaalt dat de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te
[geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de man en [minderjarige] om de week op dinsdag om 17.00 uur (Nederlandse tijd) (beeld)belcontact met elkaar zullen hebben, waarbij de man [minderjarige] zal bellen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 293,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2] Haag en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen twee weken na de beschikking drie onafhankelijke NVM-makelaars voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen vier maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
bepaalt ten aanzien van de Nederlandse bankrekeningen dat ieder zijn of haar eigen bankrekeningen houdt zonder verrekening van de saldi;
bepaalt ten aanzien van de Poolse bankrekening van de vrouw dat partijen het saldo op de peildatum (4 februari 2025) bij helfte met elkaar delen, waarna de bankrekening wordt toegedeeld aan de vrouw, waarbij geldt dat de erfenis van de moeder van de vrouw, voor zover deze op de peildatum (4 februari 2025) op deze bankrekening stond, bij de verdeling van het saldo buiten beschouwing moet worden gelaten;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats 2] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, waarbij geldt dat de man toegang heeft tot de woning voor het geval hij gereedschap nodig heeft;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2026.