ECLI:NL:RBDHA:2026:867
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland
Eiser heeft op 26 augustus 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend die door de minister niet-ontvankelijk is verklaard omdat er geen nieuwe elementen zijn aangevoerd ten opzichte van eerdere aanvragen. Eerder had eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen, die later met terugwerkende kracht werd ingetrokken, een besluit dat in rechte vaststaat. Tevens is vastgesteld dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland bezit.
Eiser betoogt dat de minister een vergewisplicht heeft om nader onderzoek te doen naar zijn verblijfsrecht in Duitsland en dat ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelt dat de minister geen vergewisplicht heeft omdat de subsidiaire beschermingsstatus vaststaat en dat bij opvolgende aanvragen geen ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro vereist is.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser zijn familie- en gezinsleven in Duitsland kan uitoefenen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier E.A. Ruiter op 21 januari 2026.
Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland heeft.