In deze zaak heeft verzoeker op 10 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, die op 19 augustus 2023 was ingediend. De minister van Asiel en Migratie, als verweerder, heeft op 28 augustus 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag. Verzoeker heeft het beroep vervolgens ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de zaak behandeld zonder zitting op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Aangezien verweerder niet binnen de geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft beslist en pas na het indienen van het beroep een besluit heeft genomen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen. De rechtbank heeft het verzoek van verzoeker als kennelijk gegrond toegewezen en verweerder veroordeeld in de proceskosten. De kosten zijn vastgesteld op € 467, gebaseerd op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft de wegingsfactor 'licht' toegepast, omdat het beroep enkel betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
De uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, en is openbaar gemaakt. Verzoeker heeft de mogelijkheid om een verzetschrift in te dienen als hij het niet eens is met de uitspraak, binnen zes weken na verzending.