Eiseres verzocht op 27 augustus 2025 om tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, welke door de minister werd afgewezen. Na bezwaar verleende de minister op 24 oktober 2025 alsnog tijdelijke bescherming, maar wees het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten af. Eiseres stelde dat de minister haar de mogelijkheid had ontnomen om bewijsstukken in de aanvraagfase te overleggen, wat leidde tot onzekerheid en onrechtmatig handelen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres pas in de bezwaarfase bewijsstukken overlegde waaruit bleek dat zij op het peilmoment in Oekraïne verbleef. Eiseres had zich tweemaal gemeld bij de gemeente met een recent paspoort zonder reisstempels, maar heeft geen aanvullende bewijsstukken overgelegd in de aanvraagfase. De vermeende annulering van een afspraak bij de gemeente vond pas plaats in de bezwaarfase en was bovendien geannuleerd na telefonisch contact.
De rechtbank concludeerde dat de herroeping van het primaire besluit niet te wijten is aan onrechtmatigheid van de minister en dat het verzoek om vergoeding van proceskosten terecht is afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.