Eiser, een Jordaanse nationaliteit bezittende met dubbele nationaliteit (Palestijns paspoort), vreesde dat zijn Jordaanse nationaliteit zou worden ingetrokken vanwege bedreigingen door een hoge functionaris van de inlichtingendienst. Hij stelde dat hij als tweederangsburger werd behandeld en dat zijn familie in gevaar zou komen.
De minister wees de asielaanvraag af wegens onvoldoende onderbouwing van het asielmotief, met name omdat eiser zijn verklaringen niet ondersteunde met objectieve documenten en zijn verhaal inconsistent was. De rechtbank oordeelde dat de minister het asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig had bevonden, onder meer vanwege onduidelijkheden over het Palestijnse paspoort en het ontbreken van bewijs voor het intrekken van de nationaliteit.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer, mede omdat uit landeninformatie blijkt dat intrekking van de dubbele nationaliteit niet tot problemen leidt. Ook het gedrag van eiser, zoals meerdere reizen naar Jordanië, strookte niet met zijn stellingen.
De rechtbank wees het beroep af en liet de afwijzing van de asielaanvraag in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Munsterman en griffier K.E. Mulder op 10 april 2026.