Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL26.11159+61
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan Kroatië wegens medische problemen minderjarig kind

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die niet in behandeling zijn genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Zij hebben beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd om overdracht te voorkomen.

De voorzieningenrechter heeft op 1 april 2026 de verzoeken behandeld en geoordeeld dat de medische situatie van de oudste dochter, die ernstige psychische problemen heeft door eerdere ervaringen in Kroatië, voldoende is onderbouwd met medische rapporten en verklaringen. Terugkeer zou haar gezondheid ernstig schaden.

Daarom is de overdracht aan Kroatië geschorst totdat op de beroepen is beslist. Verzoekers moeten binnen twee maanden nadere medische informatie aanleveren. De minister is veroordeeld in de proceskosten van €1.868,00. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De overdracht aan Kroatië wordt geschorst vanwege ernstige medische problemen van het minderjarige kind totdat op de beroepen is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11159 en NL26.11161

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker], v-nummers: [nummer 1], verzoeker

[verzoekster], v-nummer: [nummer 2], verzoekster
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam kind 1], v-nummer: [nummer 3],
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 4],
[naam kind 3], v-nummer: [nummer 5],
[naam kind 4], v-nummer: [nummer 6],
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.F.H. Pols).

Inleiding

1. Bij besluiten van 26 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld [1] . Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken en de beroepen op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan op de verzoeken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten worden geschorst en dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op de beroepen;
- draagt verzoekers op om uiterlijk binnen twee maanden de minister op de hoogte te stellen van de medische situatie van [naam kind 1];
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.868,00.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
3. De asielaanvragen van verzoekers zijn niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is als bedoeld in de Dublinverordening.
4. Verzoekers hebben vier minderjarige kinderen. Hun oudste dochter, [naam kind 1], is geboren op [geboortedag] 2017 en is op dit moment 8 jaar oud. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om te bepalen dat de overdracht achterwege blijft. Verzoekers wijzen erop dat hun dochter [naam kind 1] kwetsbaar is en psychische problemen heeft vanwege hun ervaringen in Kroatië. Terugkeer naar Kroatië zou volgens verzoekers een ernstige aantasting van de psychische toestand ten gevolge hebben.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verzoekers hebben stukken overgelegd ter onderbouwing van de medische problemen van hun oudste dochter. Zij hebben een GZA-rapport overgelegd waaruit blijkt dat [naam kind 1] sinds dat zij heeft gehoord over een eventuele terugplaatsing naar Kroatië een terugval heeft. Sindsdien huilt [naam kind 1], verkrampt zij en durft zij niet meer in haar eigen bed te slapen. Verder hebben verzoekers verklaard dat [naam kind 1] begint te trillen en in haar broek plast wanneer ze het over Kroatië hebben. Ook schrikt zij ’s nachts wakker en denkt zij dat ze aan het vluchten zijn. Uit het GZA-rapport blijkt verder dat [naam kind 1] wordt aangemeld bij Wij-Eindhoven voor psychische begeleiding. Er wordt een psycholoog gezocht voor [naam kind 1]. Na de eerste sessie/afspraak zou duidelijk worden of het voor [naam kind 1] mogelijk is om te reizen gelet op de medische problematiek. Verder hebben verzoekers een e-mail van de praktijkverpleegkundige GZA overgelegd, waaruit blijkt dat verzoekers zouden verhuizen naar een (pilot) opvang voor families met een Dublinclaim in [plaats]. Deze overplaatsing is volgens de praktijkverpleegkundige geannuleerd door DT&V in verband met begrip voor de zware, psychische problematiek van de getraumatiseerde 8-jarige dochter [naam kind 1]. Uit die e-mail blijkt dat vanuit school al signalen uitgezonden waren en ook de GGD betrokken is. Op de zitting hebben verzoekers verklaard dat verzoekers de dag vóór de zitting een afspraak hadden bij de GGZ, die niet is doorgegaan, waarvan zij een schermafdruk hebben gemaakt.
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van Kroatië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, echter is het van belang om in het kader van zorgvuldigheid in iedere individuele zaak de specifieke omstandigheden in acht te nemen. In dit geval gaat het om een minderjarig kind dat kampt met medische problemen. Uit de door verzoekers overgelegde stukken blijkt voldoende dat de medische problematiek van [naam kind 1] samenhangt met de eerdere ervaringen van het gezin in Kroatië en de overdracht aan dat land. De minister heeft op de zitting gesteld dat meer duidelijkheid over de problematiek van [naam kind 1] wenselijk is, maar ook toegelicht dat hij gebonden is aan de uiterste overdrachtsdatum, in dit geval 3 juni 2026.
7. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het wenselijk om meer duidelijkheid te krijgen over de problematiek van [naam kind 1], zonder het voor de minister onmogelijk te maken om het gezin toch over te dragen als dat medisch aanvaardbaar zou zijn. Om die reden zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen. Hiermee wordt de overdrachtstermijn opgeschort en krijgen verzoekers de gelegenheid om de medische problematiek van [naam kind 1] te laten onderzoeken en onderbouwen. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Kroatië totdat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat verzoekers de minister zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden, nadere informatie verschaffen over de medische situatie van hun dochter [naam kind 1].
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door
mr.G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De beroepen staan geregistreerd onder zaaknummers: NL26.11158 en NL26.11160.