Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL25.49709 en NL25.52434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van hun verlengingsaanvragen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) en een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij familie. Verzoeker werkte als kok Indiase keuken bij een Aziatisch restaurant op basis van een gvva die geldig was tot december 2024. De minister wees de verlengingsaanvragen in januari en februari 2025 af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft en dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat verzoeker door de afwijzing niet kan werken terwijl de werkgever het loon doorbetaalt. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening, zodat verzoekers niet worden uitgezet en verzoeker mag blijven werken totdat de meervoudige kamer uitspraak doet.

De minister heeft zich niet verzet tegen de voorlopige voorziening, maar wel aangegeven dat het loon moet worden aangepast aan de toepasselijke norm. De voorzieningenrechter bepaalt dat de minister het griffierecht en proceskosten van verzoekers moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe waardoor uitzetting wordt voorkomen en verzoeker mag blijven werken totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.49709 en NL25.52434

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaken tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker

[verzoekster], v-nummer: [nummer 2], verzoekster
samen, verzoekers
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers hangende het beroep tegen de gehandhaafde afwijzing van de verlengingsaanvraag van verzoeker voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) met als doel ‘arbeid in loondienst’ en de verlengingsaanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij familie of gezinslid [verzoeker]’.
1.1.
Verzoeker heeft als specialiteiten kok Indiase keuken in een Aziatisch restaurant (referent) gewerkt op grond van een verblijfsvergunning gvva. De gvva was geldig van 14 december 2022 tot 14 december 2024. Verzoeker heeft vervolgens een verlengingsaanvraag ingediend om te kunnen blijven werken bij zijn werkgever.
1.2.
Met de primaire besluiten van 30 januari 2025 (verzoeker) en 24 februari 2025 (verzoekster) heeft de minister de verlengingsaanvragen afgewezen.
1.3.
Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt waarna de minister met de besluiten van 2 oktober 2025 (verzoeker) en 7 oktober 2025 (verzoekster) bij de afwijzingen van de aanvragen is gebleven.
1.4.
Verzoekers hebben tegen deze bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting achterwege blijft en verzoeker arbeid mag blijven verrichten totdat op de beroepen is beslist.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. In artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de voorzieningenrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter doet op dit verzoek uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
2.1.
In de beroepszaken is in geschil of de afwijzing van de verlengingsaanvragen van verzoekers in strijd is met onder meer het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank heeft de beroepen op 4 maart 2026 op zitting behandeld en heeft deze, gelet op de aard en omvang van de te beantwoorden rechtsvragen, verwezen naar de meervoudige kamer. De behandeling daarvan zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum.
2.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het beroep van verzoekers, dat er onder meer toe strekt dat hun meest recente aanvraag moet worden behandeld aan de hand van dezelfde maatstaven als die golden ten aanzien van hun eerste aanvraag, een redelijke kans van slagen op voorhand niet worden ontzegd. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Als gevolg van de afwijzingsaanvraag van verzoeker [verzoeker] is het voor hem niet langer mogelijk om te werken bij referent. Deze situatie duurt inmiddels maanden voort. Referent is tot op heden contractueel verplicht om het loon van verzoeker door te betalen. Dit leidt tot een situatie waarin referent met loonkosten wordt geconfronteerd, zonder dat daar arbeid tegenover staat.
2.3.
De voorzieningenrechter zal, gezien bovenstaande, een afweging maken van de belangen van verzoekers en de minister. Het niet treffen van de voorzieningen kan leiden tot een situatie waarin verzoekers uit Nederland worden verwijderd, terwijl de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over de in geschil zijnde rechtsvragen, en leidt er thans al toe dat verzoeker [verzoeker] niet kan werken. Daar staat tegenover dat de te treffen voorlopige voorzieningen een tijdelijk karakter hebben en de minister zich op de zitting van 4 maart 2026 niet heeft verzet tegen het toewijzen van de voorlopige voorzieningen, althans niet heeft aangevoerd welke belangen aan toewijzing van de voorlopige voorziening in de weg staan. De minister heeft wel op de zitting van 4 maart 2026 toegelicht dat, indien verzoeker zijn werkzaamheden zou hervatten tijdens de beroepsfase, het loon in overeenstemming moet worden gebracht met de toepasselijke norm, om te voorkomen dat een onjuiste arbeidssituatie wordt voortgezet.
2.4.
Gelet op het voorgaande weegt het belang van verzoekers bij behoud van hun verblijfspositie en de mogelijkheid tot het werken bij referent zwaarder dan het belang van de minister bij onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten. De rechtbank zal daarom de verzoeken om een voorlopige voorziening toewijzen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorzieningen dat uitzetting van verzoekers achterwege blijft tot de uitspraak van de meervoudige kamer op het beroep van verzoekers. Daarnaast moet de minister verzoeker behandelen als het ware hij nog steeds houder is van een gvva bij referent.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister aan verzoekers het betaalde griffierecht vergoedt. Daarnaast krijgen verzoekers een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 (2 punten voor het indienen van de verzoekschriften, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat uitzetting van verzoekers achterwege blijft en dat de minister verzoeker [verzoeker] dient te behandelen als ware hij houder is van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid zoals eerder aan hem afgegeven, zodat hij mag werken bij referent, totdat is beslist op het beroep;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 388 aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.