ECLI:NL:RBDHA:2026:8605
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens rechtmatig verblijf na voorlopige voorziening
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 16 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot 4 maart 2026 rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode na deze datum. Op 2 april 2026 wees de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening toe, waardoor eiser niet uitgezet mocht worden zolang het hoger beroep in zijn asielprocedure loopt.
Hierdoor had eiser per 2 april 2026 rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring vanaf die datum niet langer op artikel 59, eerste lid, onder a, kon worden gebaseerd. Omdat de grondslag niet tijdig was gewijzigd, was de maatregel onrechtmatig geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 april 2026 en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.080 voor 9 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €934 aan eiser toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding van €1.080 toegekend.