Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL25.33378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na uitspraak hoofdzaak asielprocedure

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen in de algemene procedure. Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van de beroepszaak op 5 februari 2026 behandeld. Op 2 april 2026 is in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat verzoekster een vergoeding van proceskosten toekomt, welke door de minister moet worden betaald. De vergoeding is vastgesteld op €1.868,00, gebaseerd op het aantal proceshandelingen door de gemachtigde.

De uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33378

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

mede namens haar [minderjarige 1]
, V-nummer [V-nummer] , en
[minderjarige 2], V-nummer [V-nummer] , beiden geboren [2014] ,(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juli 2025 en het aanvullende bestreden besluit van 14 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de beroepszaak NL25.33377, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, R. Caicedo als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.33377, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep, aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.868,00 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 april 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.